Het goddelijke wezen en de menselijke ziel

Hoewel nu het vermoeden in de plaats is gekomen van het denken, zwelt de macht van de zintuigen nog steeds verder aan. Het scheppen van de goden versterkt dit aanzwellen. Daardoor wordt de denkkracht afgezwakt tot de vaagheid van de droom. Het vermoeden wordt nog vager, het wordt een dromen. Maar de ziel kan zich niet met het goddelijke wezen verenigen in de helderheid van het profane denken. Dit moet bescheiden worden en zwijgen zoals het dat in het droom-zijn doet.

Vermoeden

Terwijl het zelf wordt tot een afbeelding van de wereld bereikt het als het ware het uiterste punt van de zelfvergetelheid. Door aan die grens te komen, komt het tot het besef dat het zichzelf bijeen moet nemen en dat het niet in het kosmische licht moet willen wegvliegen. Een bijna onbekende eigenschap van de mens moet nu in de plaats komen van de macht van het denken: het vermoeden. Deze eigenschap moet nu deze macht van het denken vervangen, dat in de zintuigschijn zich wil verliezen.

Het Zelf als de wereld, de wereld als het Zelf

Maar dan, wanneer ik dit waarachtig voelen kan, verandert mijn gewaarwording van de wereld geheel. In het waarnemen van de openbaring van het zelf laat de wereld dit zelf zien als een afbeelding. Deze afbeelding wordt als een goddelijk oerbeeld getoond. Ik word de waarheid van de afbeelding van het zelf gewaar.

Magnificat!

Nu heeft de ziel in haar gewaarwording zich met het licht verenigd. Het is het uiterlijke zonlicht, dat uit diepten van de geest komt, waarin het scheppen van de Goden zich openbaart. Dat licht weeft in de ruimte en is vruchtbaar. Je kunt dat gewaarworden in de rijkdom van de bloesem van allerlei aard, vooral de prunus, de fruitbomen en de sering. In het bewustzijn van alledag merk je niet dat het wezen van de ziel zich zo wijd heeft gemaakt, zodanig vrij is geworden van de in het innerlijk opgesloten zelfheid, dat in dat licht het wezen van de ziel verschijnt. De verlichte ruimte lijkt voor het gewone bewustzijn geheel zielloos te zijn. Zoals je de lucht niet waarneemt, behalve als ze krachtig tot wind wordt, zo neem je evenmin de ziel in de verlichte ruimte waar. Maar dit is de week in het jaar, waarin een natuurlijk ‘Magnificat’ gezongen wordt: Wijd wordt mijn ziel, zo wijd als het gehele wereld-zijn. Mei is de Mariamaand, het is de maand waarin in de katholieke traditie de processies worden gelopen, door de bloeiende velden. Dat is een uiting van dit ‘Magnificat’ van de ziel. In de weekspreuk kunnen we zelf innerlijk zo wijd worden als het wereld-zijn en beleven hoe dat een opstanding is uit de benauwde in het innerlijk zich houdende zelfheid. Met het woord ‘Goden’ worden alle wezens van de geestelijke wereld bedoeld, het is geen ‘polytheïstische’ bedoeling. We moeten hierbij denken aan de hogere Hiërarchieën, de engelen, aartsengelen, en de nog veel hogere wezens tot aan de serafijnen, samengaand in het scheppende Wereldwoord, Christus.

Het grote verlangen

De gedachtenmacht heeft de eigenheid verloren en ik heb mij bevrijd van de waan van mijn eigenheden. Nu spreekt mijn gewaarwording, mijn gevoel, tot mij om te voelen het wezen, het worden van mijn wezen. Het gewaarworden, het voelen, kan zich nu met het vloeiende licht verenigen en ik kan leren om me voelend in deze processen in te leven: Ik kan leren hoe ik tot gewaarwording geworden ben en zo kan voelen mijn wezende wezen. Hoe het stromende licht en mijn gewaarworden één worden. Het licht, dat tot het denken behoort, het denken dat licht is, wordt zo ook warm, want de warmte is mijn gewaarwording. Door de vereniging van beiden, van licht en warmte ontstaat een stevige band tussen de mens met de gewaarwording die individueel is, en het licht dat universeel is: de wereld.

Contemplatie

Niet slechts de gedachtenmacht verliest nu zijn eigenheid, de mens spreekt tot het wereld-al, terwijl hij zichzelfvergeet, en zich bevrijdt uit de boeien van de eigenheid. Vergeten is het zelf, maar niet de oorsprong ervan in de geestelijke werelden. Dat is juist wat het groeiende ik nu spreekt tot het wereld-al, dat het daarin het echte wezen van het ik doorgrondt. Je kunt je als mens leren voelen, wortelend in de geestelijke werelden, in het wereld-al, en je aardse eigenheid leren vergeten.

De week na Pasen

In de winter bevindt zich de macht van het denken in een individuele menselijke vorm. We voelen een innerlijk licht van het denken en de mogelijkheid om gedachten en begrippen te vormen – op eigen kracht. In de lente ligt een punt van ommekeer. We veranderen in de lente, naar de zomer toe, zo, dat we als het ware volmaakt omstulpen: wat in het innerlijk was, komt geheel buiten, wat buiten was, komt in het innerlijk. Dat gebeurt bij alle mensen, we hoeven er niet naar te streven. Maar we hebben er van nature geen bewustzijn van – dat is iets om naar te streven. De mens heeft de mogelijkheid om al zijn vermogens te brengen tot in het licht van het begrijpende bewustzijn, dat is het bereiken van de vrijheid.

Pasen

Met Pasen voelen we ons als opgestaan uit onze vage lichamelijke gedachten. In de lente schijnt de zon heel helder en al warm en al onze zintuigen lijken te worden verhelderd en verwarmd door de lentezon. De zon lijkt vanuit de verten van de kosmos tot al onze zinnen te spreken en we voelen geweldige vreugde daardoor. Die vreugde juicht in de diepten van onze ziel en we kunnen leren voelen hoe deze oprijst tot aan de stralen van de zon en zich ermee verenigt. Ik kan mijzelf voelen, ingebed in de warme zonnestralen en ik antwoord met grote vreugde, die uit mij komt, uit mijn gewaarworden.

De goede week

In de wintertijd heeft de geest vooral met zichzelf te doen.Het is de wondervolle tijd van het innerlijke licht, dat zichzelf kan leren kennen. Nu echter wendt de geest zich naar buiten en ontmoet daar de schoonheid in de tot leven komende natuur. Dan komt uit de verten de levenskracht tot in het lichaam en verenigt zo wezen van de Geest en Mensenzijn. De overgave aan al het overige dan de eigen geest, de liefdevolle overgave aan de Wereldgeest, vangt hier aan.

Ontmoeting met de natuur

Nu wil de wordingslust, de kiem- en groeikracht van het wereldbestaan zich binnendragen in het ik van de mens. Daardoor wordt de betovering waarin de wereldwordingslust ligt, verbroken, en wordt deze wording toegankelijk voor het ik.