Scheppende wijsheid

In mijn aanschouwing is Krishna de imaginatie van het vermogen om wijs te worden, een wijsheid die scheppende kracht heeft. Ik zie die wijsheid als een gave die in de oude voor-christelijke tijd nog een onpersoonlijke goddelijke gave was, als Godmens verschijnend aan Arjuna, de krijger. Door de gave van Christus, de ‘Mensenzoon’ die op aarde kwam, door de dood en de opstanding heen ging, is deze gave nu persoonlijk te verwerven. In Krishna zien we deze gave, dit vermogen in een menselijk wezen, dat blijkt een bovenmenselijk wezen te zijn, tegenover de mens opgesteld. In dit beeld staat Krishna tegenover Arjuna, hij is geen eigen vermogen van Arjuna, maar staat tegenover hem in heel zijn glorie. Arjuna kent Krishna in het gewone leven als zijn vriend en leraar, nu wordt hem zijn ware wezen geopenbaard. Wat we hier als openbaring leren kennen, kunnen we leren zien als een mogelijkheid die sluimert in ieder mens. Die mogelijkheid kan tot verwerkelijking komen in ieder, die de eerste stappen uit vrijheid zet op de weg naar die verwerkelijking in de toekomst. Arjuna heeft tegenover zich wat wij in onszelf als sluimerende capaciteit hebben.

Intellectuele bescheidenheid

Je kunt je voorstellen dat een wetenschapper als Richard Feynman deze bescheidenheid met betrekking tot de menselijke mogelijkheden om te kennen heeft ontwikkeld, omdat hij eerlijk ervaren heeft hoe weinig zijn kennis gedurende een heel leven is toegenomen. Bij hem hebben het ontzag en het mysterie dat hij steeds meer voelde ten opzichte van de grootsheid van de natuur niet geleid tot een geloof in God. Integendeel, het maakte hem dit geloof heel moeilijk of zelfs onmogelijk. Je kunt dat heel goed begrijpen. Het verzamelen van kennis in de natuurkunde maakt de kloof tussen de menselijke vermogens tot begrijpen en de werkelijke structuur van de natuur dieper en breder in plaats van daar een brug over te bouwen.

Geloof

Zo zou je telkens wanneer je meent dat je ergens van overtuigd bent, je met behulp van die ’tweede sapiens’ moeten afvragen: Is deze overtuiging gebaseerd op werkelijk inzicht in het fenomeen, of is het toch gebaseerd op wat we noemen ‘geloof’. Natuurlijk heeft iedereen het recht om bepaalde dingen te hebben waarin hij gelooft, maar we zouden zelfkennis moeten ontwikkelen, opdat we het verschil kunnen zien tussen het aannemen van feiten door inzicht in het fenomeen, of door een geloof. Er zijn nu eenmaal dingen die niet met zekerheid geweten kunnen worden. Er zijn ook heel wat dingen die we wel zeker weten. In zo’n geval hebben we als het ware een geloof dat gebaseerd is op zeker weten. We zouden moeten leren onderscheiden tussen deze verschillende processen van aanvaarden van waarheid.

Angst en schrik en de media

Nu, in augustus, wordt door de media een nieuwe angst gegenereerd. In Afrika bestaat al enige tijd een virale infectie die grotendeels dodelijk verloopt en waarvoor er tot op heden geen goede behandeling is. Het virus verspreidt zich snel en veel Afrikanen zijn daaraan al gestorven. De infectie zal zeker niet beperkt blijven tot Afrika. Je voelt je hulpeloos, er wordt schrik aangejaagd en deze schrik verspreidt zich over de wereld meer virulent dan het virus zelf.

Homo sapiens sapiens

Het is een fascinerende uitdrukking: homo sapiens sapiens. Deze wijst op het zelfbewustzijn van de mens, wijst erop dat de mens niet alleen is geboren om wijs te worden, maar dat er een wijsheid is die dit sapiens steeds meer volkomen maakt. Dat is de wijsheid waarmee de mens zichzelf kan kennen.

Wat is waarheid?

In het menselijke spraakgebruik is het woord ‘sapientia’ beperkt geraakt tot weten, tot kennis. Maar in feite betekent het woord: wijsheid. Gebruiken we de term ‘homo sapiens’, dan bedoelen we daarmee eigenlijk dat de mens behoort tot een rijk dat wijs is of op zijn minst dat wijs zou kunnen zijn. Vanuit dit gezichtspunt is het vanzelfsprekend dat de mens geboren is voor de waarheid, want wijsheid kan uiteraard alleen dan ware wijsheid zijn wanneer zij berust op de waarheid. Er zou dus een waarheid moeten bestaan.

Prometheus

Prometheus stal het vuur uit de hemel en gaf het aan de mensen. Hij nam de holle stengel van een reuzenvenkel en naderde daarmee de voorbijkomende zonnewagen. Zeus zag het niet, omdat hij op een andere plaats bezig was met donder en bliksem.  Prometheus droeg de brandende stengel, lang hol en niet dovend, snel naar de aarde en maakte er een groot vuur mee. Het vuur dat nooit moe wordt kwam zo op de aarde en Prometheus leerde de mens alle gebruiksmogelijkheden ervan.

Creationisme en evolutionisme

Ofwel je betrekt het standpunt van het andere uiterste, en je zegt: Voor de mens is God onvoorstelbaar en het is een zonde tegen een van de tien geboden wanneer de mens de neiging in zich voelt opkomen om zich voorstellingen te vormen van de Schepper. Zoals je al denkende kunt komen tot een gewaarwording dat je de vraag ‘Wat is de mens’ niet uitsluitend kunt beantwoorden vanuit de evolutietheorie, maar evenmin uitsluitend vanuit het creationisme en je dan met andere woorden het een met het ander zou willen bevruchten; zo ontstaat ook de gewaarwording dat er een levend midden moet bestaan tussen de onmachtige voorstelling van God gelijkend op de mens, en het verbieden van een poging om op een andere wijze te komen tot vermoedens van het goddelijke.

Persephone en Eros

Daartoe zond de God van de onderwereld die nooit lacht als verleider Eros, om haar te verlokken de bloem van de zelfliefde te plukken. Eros sprak verleidelijke woorden tot Persephone, die verlangde om de aardse raadselen te doorschouwen. Demeter had haar gewaarschuwd, ijverig door te borduren aan de sluier en onder geen voorwaarde een bloem in de weide te plukken. Maar Eros vertelde haar dat die bloem de aardse afbeelding was van haar ster… Persephone vroeg naar de naam van de bloem en Eros noemde haar de naam: Narcis…

Uniciteit en genialiteit tegenover harmonie en broederschap

Wanneer je de mensheid ziet als een verzameling van zulke in zichzelf trotse individuen, dan lijkt de mogelijkheid van een uiteindelijke harmonie uitgesloten. Terwijl je je dus enerzijds zou kunnen voorstellen dat de gehele mensheid als totaal omvattend menselijk wezen zich langs bergen en dalen beweegt naar een verwerkelijking van een ideaal dat er als levend concept in het begin al was, moet je aan de andere kant de tegenstelling in jezelf niet over het hoofd zien. De tegenstelling met de mensheid als één wezen, dat is namelijk de mensheid als een verzameling van miljarden individuen, die allemaal in zichzelf een bewustzijn hebben van de eigen uniciteit.