Zuivere Waarneming

Enkele weken geleden heb ik gesproken over de brug over de afgrond en daarna komen er altijd interessante reacties. Eén reactie luidde dat er eigenlijk twee moeilijkheden zijn bij de ontwikkeling van het zuivere, door de wil doordrongen denken. Dat is enerzijds dat de zintuiglijke waarneming toch altijd ook persoonlijk is, dus niet zuiver, en anderzijds dat onze omgeving ons zeer veel problemen bezorgt, doordat wij voortdurend achter het scherm zitten. Zo zegt men dat in het Nederlands.

Ik weet niet of men dat in het Duits ook zo zegt, dat men achter zijn scherm zit, maar dat betekent natuurlijk dat men dat apparaat in de hand heeft of op de computer kijkt, misschien ook nog ouderwets naar de televisie. Maar wij zijn geheel doordrongen en omgeven door allerlei onzichtbare entiteiten die ons beïnvloeden. Dat is natuurlijk het geval en daarop wil ik zeker nog verder ingaan.

Maar het eerste punt betrof de zintuiglijke waarneming en de vraag: ja, maar bestaat er in de mens niet ook de zuivere waarneming, dus een zintuiglijke waarneming die niet door de persoonlijke ontwikkeling meer of minder wordt veranderd of gewijzigd, gekleurd enzovoort? Ik wil daarbij een klein stukje tekst voorlezen. Dat luidt:

„Allereerst moeten wij vaststellen wat naamwoord en wat werkwoord is, vervolgens wat ontkenning, bevestiging, uitspraak en rede zijn.

De klanken waartoe de stem wordt gevormd, zijn namelijk tekens van de voorstellingen die in de ziel worden opgewekt. En het schrift is op zijn beurt weer een teken van de klanken.

En zoals niet allen hetzelfde schrift hebben, zo zijn ook de klanken niet bij allen dezelfde. Maar datgene wat door beide in de eerste plaats wordt aangeduid, de eenvoudige voorstellingen van de ziel, die zijn bij alle mensen dezelfde. En evenzo zijn de dingen, waarvan de voorstellingen de afbeeldingen zijn, dezelfde.

Doch hierover hebben wij, omdat het een andere discipline betreft, gehandeld in de boeken over de ziel. Zoals nu de gedachten in de ziel soms optreden zonder waar of onwaar te zijn, soms echter zó dat zij noodzakelijk één van beide zijn, zo gebeurt het ook in de rede. Want onwaarheid en waarheid zijn verbonden met verbinding en scheiding van de voorstellingen.

De naamwoorden en werkwoorden op zichzelf lijken nu op de gedachten zonder verbinding en scheiding, zoals bijvoorbeeld het woord ‘mens’ of ‘wit’, wanneer men er verder niets aan toevoegt. Hier is nog geen dwaling en geen waarheid.”

Deze tekst kwam mij in de herinnering, omdat hier zo heel duidelijk wordt uitgesproken dat de dingen voor alle mensen gelijk zijn, en ook de voorstellingen die de afbeeldingen van de dingen zijn, dat die bij alle mensen gelijk zijn.

Pas wanneer men niet bij de zuivere voorstelling blijft, maar daaroverheen schiet en zich er eigenlijk mee gaat bemoeien door allerlei interpretaties, wordt het persoonlijk gekleurd. Deze tekst, dat hebt u misschien al vermoed, is afkomstig van „de filosoof”, zoals hij in de Middeleeuwen werd genoemd, van Aristoteles, en is het eerste hoofdstuk uit zijn Interpretatieleer. Ik heb jaren geleden enkele malen met studenten geprobeerd deze tekst praktisch uit te voeren.

Wij hebben toen geprobeerd zelf vast te stellen hoe wij onze voorstellingen hebben, hoe het ding tot voorstelling wordt en hoe wij daaroverheen gaan doordat wij daarbij allerlei gevoelens hebben en ook gedachten. Het is niet voor niets dat Aristoteles vervolgens in de daaropvolgende tekst erover spreekt dat een woord of een gedachte, wanneer die op zichzelf optreedt of gevormd wordt, niet waar of onwaar kan zijn. Waarheid en onwaarheid ontstaan pas wanneer men de gedachte of het woord op iets betrekt of meerdere gedachten met elkaar in verband brengt. Maar op zichzelf kan een gedachte niet onwaar zijn. En dat geldt eveneens voor de voorstellingen.

Dus voor mij is hetgeen Aristoteles hier naar voren brengt, en dat is, zoals gezegd, het begin van zijn Interpretatieleer, die vervolgens zeer ver voert, een aanwijzing dat deze filosoof bij zijn onderzoekingen heeft gevonden dat de mensheid in zekere zin toch ook een eenheid is, namelijk daar waar de mens het ding trouw en zuiver voorstelt.

Dat gebeurt eigenlijk min of meer vanzelf. Wij kunnen helemaal niet weten wat wij waarnemen als het niet tot voorstelling wordt. En dat kan men oefenen, men kan dat volgen, men kan proberen oefeningen te doen waarbij men bijvoorbeeld een bloeiende struik of iets dergelijks waarneemt, zich daar vervolgens van terugtrekt en eerst probeert zich die in de voorstelling te herinneren.

Dat is natuurlijk niet de onmiddellijke voorstelling. Dat is reeds een meer of minder veranderde voorstelling. Maar zo kan men op het spoor komen van wat een voorstelling eigenlijk is, doordat wij een herinneringsvoorstelling vormen, kort nadat wij hebben gekeken.

En zo kunnen wij zover komen dat wij, terwijl wij bezig zijn met de zintuiglijke waarneming, als het ware een innerlijk oog daarop richten dat er onmiddellijk ook een voorstelling aanwezig is. Die vormen wij niet bewust; de voorstelling is een onmiddellijk gevolg of een gelijktijdig optredend iets dat met de zintuiglijke waarneming verbonden is. En wanneer wij dat onderzoeken, dan komen wij al zover dat wij kunnen erkennen dat hetgeen Aristoteles hier aan het begin van zijn Interpretatieleer naar voren brengt, werkelijk zo is.

Pas wanneer wij beginnen te interpreteren – en dat doen wij meestal onmiddellijk, zo onmiddellijk dat de min of meer organische, zuivere voorstelling niet meer te onderscheiden is van de geïnterpreteerde voorstelling – pas wanneer wij beginnen te interpreteren, ja, dan hebben wij werkelijk te maken met persoonlijk geworden zintuiglijke waarneming.

Zoals er een mogelijkheid bestaat om in zichzelf een denken te vinden dat niet persoonlijk is en dat ook niet door de zintuiglijke waarneming wordt aangeraakt, zo is het ook mogelijk de zintuiglijke waarneming als een zuiver menselijke activiteit terug te vinden en daarmee samenhangend onmiddellijk ook de zuivere voorstelling. En ik vind het een prachtige gedachte dat, wanneer wij misschien af en toe in dit gebied kunnen leven, in de zuivere zintuiglijke waarneming en voorstelling, wij ons dan bevinden in een menselijk gebied waarin het algemeen-menselijke werkzaam is. Daar bestaan geen meningsverschillen of strijd om oordelen of iets dergelijks, want de dingen zijn zoals zij zijn en zij tonen zich zoals zij zijn. Alleen doordat wij de onmiddellijke voorstelling overslaan, menen wij dat de voorstelling persoonlijk gekleurd is.

Laat dit daarom een oproep tot vrede zijn: dat wij in onszelf, in het alledaagse leven, zonder spirituele ontwikkeling, een zintuiglijke waarneming kunnen vinden en de daarmee samenhangende zuivere voorstellingen, die voor alle mensen gelijk zijn. Dat wilde ik vandaag vertellen en de volgende keer zal ik ingaan op de moeilijke opgave die ons is gesteld, namelijk het spirituele te onderscheiden van het elektromagnetisme.

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wie is Mieke Mosmuller?

Mieke Mosmuller is arts, schrijfster en filosofe. Zij schrijft over actualiteiten die raken aan haar filosofisch-spirituele ontwikkelingsweg die zij startte in 1983…

Recente artikelen

Enkele weken geleden heb ik gesproken over de brug over de afgrond en daarna komen er altijd interessante reacties. Eén reactie luidde dat er eigenlijk...
Toen ik me ging bezinnen op wat is nu eigenlijk dan toch geluk, dan kom je er al snel achter dat dat eigenlijk niet in...
Hoe bouwen wij de brug over de afgrond tussen het zintuiglijke bewustzijn en het hemelse bewustzijn, dat is toch de grote vraag in onze tijd...

Volg Mieke Mosmuller

Meest recente video

En ben ik dan in de hoogten van de zintuigen
Vlamt in de diepten van mijn ziel
Uit de vuurwerelden van de Geest
Het Waarheidswoord van de Goden:
Zoek voorvoelend in Geestesgronden
Om je verwant aan de Geest te vinden.

Und bin ich in den Sinneshöhen,
So flammt in meinen Seelentiefen
Aus Geistes Feuerwelten
Der Götter Wahrheitswort:
In Geistesgründen suche ahnend
Dich geistverwandt zu finden.

Volgende seminar

30.03.2026 – 01.04.2026
In der Woche vor Ostern besuchen wir unter der Leitung von Mieke Mosmuller die Kathedrale von Chartres.