Brug over de Afgrond

Hoe bouwen wij de brug over de afgrond tussen het zintuiglijke bewustzijn en het hemelse bewustzijn, dat is toch de grote vraag in onze tijd en er zijn natuurlijk zeer veel stromingen, spirituele stromingen, die zich daarmee bezighouden, met deze vraag en het antwoord daarop. Voor mij is het de antroposofie, die eigenlijk het zekerste antwoord daarop geeft. Maar het was reeds Johann Wolfgang von Goethe, die de hele vraag bekeken heeft en in een sprookje verteld heeft.

Dit sprookje heeft een happy end, dat eindigt goed en het einde is werkelijk, dat de brug over de afgrond zich opgericht heeft. In het begin van het sprookje is het nog zo, dat de mens wel vanuit de hemelse wereld in de aardse kan afdalen, maar wanneer hij eenmaal in de aardse wereld met het zintuiglijke bewustzijn thuis is, ja dan kan hij met het bewustzijn eigenlijk niet zonder meer weer terug, in de slaap, na de dood, maar met het aardse bewustzijn is dat een onmogelijkheid. Aan het einde van het sprookje is er dan min of meer een vrij verkeer tussen bewustzijn van de aardse wereld en bewustzijn van de hemelse wereld.

Dat is toch een wonderbaarlijk beeld. Het is een soort van profetie voor onze tijd. Dat heeft in de antroposofie de mogelijkheid getoond, om deze brug, die zich eigenlijk al opgericht heeft, in elk menselijk bewustzijn te laten oprichten.

Maar dat gaat niet vanzelf. Dat is eigenlijk de grote moeilijkheid, dat wij innerlijk niet werkelijk lust hebben om actief te worden. Wij menen dat hetgeen wat de hemelse wereld ons belooft, zich op dezelfde wijze aan ons zal openbaren, zoals ook de hele aardse wereld dat doet.

Daar hoeven wij alleen maar de aandacht op te richten. Dat is eigenlijk genoeg. Daar moet nog een beetje activiteit bijkomen, dat wij ook de samenhangen doorzien.

De wereld biedt zich min of meer vanzelf aan ons aan. Zo is dat niet met de hemelse wereld. Die toont zich slechts in zoverre als wij zelf de werkzaamheid inzetten, waarin zij zich kan tonen.

Ik geloof dat dat een grote moeilijkheid is voor de huidige mensen, om dat ten eerste te zien en dan ten tweede ook te willen uitvoeren. Want wij zijn bioscoopmensen geworden. Ook wanneer zij een video bekijken, zitten zij eigenlijk in de bioscoop.

Ja, ik wil natuurlijk niet zeggen: zet het nu onmiddellijk uit, want deze bioscoop geeft dan natuurlijk toch de mogelijkheid dat wij communiceren. Maar als deze uiteenzettingen er niet toe zouden kunnen leiden dat een innerlijke activiteit gewekt wordt, dan zouden wij eigenlijk met video’s alleen maar tot dit bioscoopbewustzijn bijdragen. Rudolf Steiner heeft met zijn De filosofie van de vrijheid iets zeer geweldigs ons gegeven.

Wanneer men dat niet alleen in zich opneemt, maar ook probeert het na te scheppen, dan wordt geleidelijk duidelijk, dat wij als mensen in ons willen en ons voelen door invloeden leven, die wij niet onmiddellijk kunnen doorzien. Onze handelingsimpulsen zijn soms van onszelf en wij menen misschien dat zij altijd van onszelf zijn, maar er werken in deze gevoelens en wilsimpulsen geestelijke wezens inspirerend, intuïtief mee. Wij weten het niet.

Wij zijn daarin gedeeltelijk vrij, maar wij weten het niet; meestal zijn wij daarin helemaal niet vrij. Rudolf Steiner heeft getoond dat deze vrijheid alleen in het denken een feit is, omdat wij juist in het denken geheel op onszelf gesteld zijn. Niet in onze gedachten, want de gedachten zijn natuurlijk vaak toch gevolgen van onze gevoelens en onze wensen enzovoort.

Maar het exacte wetenschappelijke denken is abstract geworden. Het heeft zich van de natuur losgemaakt en het heeft zich ook van onze subjectieve gevoelens en wilsimpulsen losgemaakt. Het is iets dat geheel op zichzelf gesteld is en eigenlijk is het daarom ook het meest dode wat wij in ons dragen.

Maar juist daarom is daar de vrijheid. Wij moeten ons bewust worden — wij zouden ons bewust moeten worden — dat in dit vrijheidselement, het denken, dat het on-geestelijkste is wat wij hebben, omdat het zich geheel uit de geestelijke wereld bevrijd heeft, maar tegelijk ook het meest geestelijke is, omdat het in de activiteit van het denken geestelijk is. Wij zouden dus in dit denken het element moeten vinden dat ons weer met de geestelijke wereld kan verbinden.

Wij zijn daarin vrij; wij kunnen geheel precies doorzien wat wij denken en doen in het denken, zolang als het niet alleen gedachten zijn, maar werkelijk bewust tot stand gebrachte, op een wetenschappelijke wijze gevormde gedachten. In dit denken hebben wij de mogelijkheid ons geheel bewust met de geestelijke wereld te verbinden, maar wij zouden moeten opmerken dat in de inhoud van het denken de wereld gestorven is en dat daar überhaupt niets geestelijks meer kan zijn, omdat het leven geweken is.

Daarom is het in de spirituele wereld zo dat men zich niet met het denken wil bezighouden. Tegelijk is het datgene gebied dat direct uit de geestelijke wereld genomen is en dat, wanneer wij de activiteit van het denken — ons denken als activiteit — ontdekken, tegelijk deze brug wordt.

De kunst is eigenlijk dat wij in het meest dode in ons mens-zijn het leven terugvinden, doordat wij in activiteit komen. Dan zo in activiteit komen dat wij niet voor ons uit dromen, maar dat wij stap voor stap wilskrachtig voortgaan.

Wanneer wij dat doen en wij hebben de activiteit van het denken beleefd, dan kunnen wij in dit beleven ook het gevoel weer terugvinden. Er is in De filosofie van de vrijheid een zin, waarin Rudolf Steiner zegt dat degene het verst gevorderd is, die met zijn gevoel het hoogst in het denken kan reiken.

Dat is iets waarover men zou willen mediteren, wat dat te betekenen heeft, want hij bedoelt natuurlijk niet dat wij met onze subjectieve gevoelens in het geestelijke zouden moeten reiken, maar dat wij datgene wat wij als werkzame ideeënkracht in ons scheppen, met het gevoel kunnen beleven.

Dan komt men werkelijk in een innerlijke activiteit, die men voordien niet gekend heeft, die iemand iets schenkt dat overeenkomt met een soort innerlijke zaligheid. Tegelijk weet men ook dat datgene wat men in zijn leven als dode denkinhouden verzameld heeft, geheel aan zijn lichaam gebonden is en dus met de dood zal afsterven.

Tijdens het leven zijn zij al dood, maar men heeft ze tenminste nog. Men kan ze in het bewustzijn hebben. Wanneer men gestorven is, kan men er zeker van zijn dat alles wat gedachte-inhoud geweest is, met het lichaam afvalt.

Ook de spirituele gedachten, wanneer zij niet tot het werkzame denken opgeheven zijn. Dat is de brug.

Wij hebben een zo diepe, omvattende hunkering daarnaar, dat wij ook tijdens het aardse leven heen en weer over een brug naar de geestelijke wereld kunnen gaan en dan ook weer terug kunnen komen.

Dat is een hunkering die met onze tijd met ons mee geboren wordt. Het sprookje van Goethe is daarvan een beeld.

Deze mogelijkheid bestaat, maar niet in de inhoud, niet in het gevoel, niet in de wilshandeling, zolang deze niet door het exacte denken geïmpulseerd is.

De brug moet zich eerst oprichten door de aanschouwing van de activiteit van ons denken.

Dat zal onze brug zijn.

Een reactie

  1. Ik was juist gebotst toen ik dit stukje las en daarna nog eens herlas op een lezing van Steiner over het denken in een boek over Sophia en dat gaat eigenlijk over het grote raadsel en de tegenstellingen die daaruit voortkomen tussen de tijd van toen en nu , ttz men kan zich afvragen , hoe dachten toen de Grieken en Romeinen in die tijd van het Mysterie van Golgotha daarover juist voor en na de beginperiode van de tijdrekening ( 200 vC – 150 nC ) en hoe kan men dit raadsel ophelderen . En hij zegt daar zoals ik het tenminste versta dat dit een heel groot raadsel is en blijft . En het gaat nu niet alleen over dat Mysterie van Golgotha alleen , maar over het feit dat er toen zo een echt hoogtepunt in het denken ontstaan is bij de Grieken in het denken . Want , zoals hij zegt , het veroveren van de gedachten heeft niet veel nieuws bijgebracht sinds die tijd , en de gedachten zelf hebben zich weinig verder ontwikkeld , bijv iets als het woord ‘evolutie’ bestond toen ook al in de gedachte , maar wél oneindig veel toegenomen zijn bijvoorbeeld het denken ivm onderzoeken en feiten over de natuur . Het denkend doorgronden van de wereld heeft een bepaald niveau en hoogtepunt bereikt toendertijd en er is een geweldige worsteling ivm het denken ivm het Mysterie van Golgotha gaande en geweest .
    Het was toen een tijd waarin het denken een verdieping doormaakte als nooit tervoren . Maar … dit MvG laat zich niet onthullen voor het menselijke ‘begrijpen’ .Ver en héél ver achter wat men door de ontwikkeling van het denken kan bereiken staat het wezen van dit Mysterie van Golgotha . Een mens kan zich met zijn denken proberen historisch in televen en verplaatsen in de tijd van toen of in jezelf leven maar dan zijn de gedachten geisoleerd en zal je niet het reële wezen ervan bespeuren . Anderzijds , een helderziende zou zich kunnen invoelen hoe dit kwam en waarvan deze ‘verdieping ‘ van het denken een uitwerking is .Deze zal dan gewaarworden dat er drie werelden zijn tussen de onze die zich daarboven doen gelden . De astrale wereld , de lagere en en het hogere Devachan of mentale wereld . En het is dààr , in de wereld boven het hogere Devachan dat er een ‘ Ster ‘ is die zich met al haar stralen geworpen heeft in deze grieks-romeinse wereld om het denken daar in zijn zo grote hoogte te doen gelden. En deze ervaring kan men dan opdoen als helderziende persoon . Dan gaat hij over naar de gnostiek en de leerlingen gnostici daarin . Zij worstelden waarlijk met dit mysterie en ze begrepen dat men oneindig ver achter de onze liggende werelden de oorzaken moest gaan zoeken voor wat zich daar in de uiterlijke wereld heeft voorgedaan of afgespeekd . Ze zeiden de oergronden van de werelden zijn te vinden bij die ‘wereldwezens die niet met onze gewone abstracte begrippen te bereiken zijn . Zo ook was het bijvoorbeeld in de ’theologie van Paulus ‘.En zij verkondigden dat er iets daarboven was dat te maken had met het Zwijgen en de Stilte , het rijk van de Vader , en van de Godszoon . Daarvoor diende men op te stijgen doorheen dertig Eonensferen , boven de onze ; die van de materiële wereld demiurg , dat is de onze en éénendertigste wereld , en dit is de wereld van Achamod . In deze wereld leeft het ‘verlangen’ of de begeerte naar dit hoger wezenlijke geestelijke te willen leren kennen , en dat is het goddelijke wezen van de heilige Sophia , want zij leeft in het dertigste Eon , boven onze wereld en waarnaar de vele zielen verlangen zullen blijven die de geest zoeken . Daarom heeft de Sophia de ‘begeerte’ afgescheiden of uitgeworpen in de onderliggende sfeer , de onze . En dan rijst deze vraag ‘ waarom is er dat verlangen in deze zielen ?’
    De gnosis zegt daarover / Achamod is voor een korte tijd overstraald geworden door een licht van de Godszoon die in de Eonen leeft – en dat licht verdween meteen weer .
    Maar , voegt Steiner er wel aan toe , de huidige mens zal grote moeite hebben dit te begrijpen zelfs al is hij op zoek naar spirituele wereld beschouwing en die nog wel leeft met begrippen van een soort ‘oernevel’ waaruit alles ontstaan is of iets dergelijks en zal zich. Er niet prettig bij voelen en wel flauwtjes glimlachten bij het aanhoren van zo een gnostieke wereldbechouwing.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wie is Mieke Mosmuller?

Mieke Mosmuller is arts, schrijfster en filosofe. Zij schrijft over actualiteiten die raken aan haar filosofisch-spirituele ontwikkelingsweg die zij startte in 1983…

Recente artikelen

Hoe bouwen wij de brug over de afgrond tussen het zintuiglijke bewustzijn en het hemelse bewustzijn, dat is toch de grote vraag in onze tijd...
Ja, wanneer je leeft in deze wereld, dan zie je toch werkelijk dat er een steeds chaotischer beeld ontstaat, een soort waanzinnige onwaarheid die niet...
Enkele weken geleden kwam er een nieuw boek van mij uit, dit, ‘de lotusbloemen en de apocalyps’. En ik wil dat vandaag, ja, met een...

Volg Mieke Mosmuller

Meest recente video

Tot zomerse hoogten
Verheft zich het lichtende wezen van de zon;
Het neemt mijn menselijke voelen
In zijn ruimtewijdten mee.
Vermoedend komt in het innerlijk
Een gewaarwording op, vaag mij verkondigend,
Erkennen zul je eens:
Jou voelde zojuist een goddelijk wezen.

Zu sommerlichen Höhen
Erhebt der Sonne leuchtend Wesen sich;
Es nimmt mein menschlich Fühlen
In seine Raumesweiten mit.
Erahnend regt im Innern sich
Empfindung, dumpf mir kündend,
Erkennen wirst du einst:
Dich fühlte jetzt ein Gotteswesen.

Volgende seminar

30.03.2026 – 01.04.2026
In der Woche vor Ostern besuchen wir unter der Leitung von Mieke Mosmuller die Kathedrale von Chartres.