Moderne spirituele zelfkennis

In het middeleeuwse gedicht van Dante, de Divina Commedia, vinden we een vorm van zelfkennis die op een zekere helderziendheid gebaseerd is. De leraar van Dante was Brunetto Latini. Dante beschrijft zijn ontmoeting met zijn leraar in Inferno, waar hij brandt…

De Louteringsberg in de Divina Commedia van Dante

In Dante’s Divina Commedia worden de hoofdzonden aanschouwelijk geschilderd, de boetedoening wordt in beeld gebracht. De boetedoening duurt zolang totdat de ziel helemaal gereinigd is van het kwaad. Pas dan verkrijgt ze de vleugels die haar dragen tot in het hemelse paradijs, tot aan de aanschouwing van God.

Het Boze en de oude zondenleer bij Dante

De zelfkennis neemt wonderbaarlijke gestalten aan, wanneer we ons in de oude zondenleer verdiepen. Deze komt in Dante’s Divina Commedia (13. eeuw) op beeldende wijze tot verschijning. Dante heeft, geleid door de dichter Vergilius, eerst de hel doorschreden. Dan bestijgt hij de louteringsberg, waar de mensen hun zonden moeten uitboeten, voordat ze tot het hemelse paradijs worden toegelaten. Hier, in ‘Purgatorio’, vinden we de zeven hoofdzonden beschreven, uitgebeeld.

Over het boze

Direct na 6 januari werd het Licht verduisterd door de gebeurtenissen in Parijs. Deze roepen vragen op over de aard van het boze. Ik citeer uit de Mysteriedrama’s van Rudolf Steiner, uit het tweede drama, het negende beeld. 

Goede wil

Over de gedachten over vrede en goede wil ontving ik een aantal reacties van mensen die betwijfelen dat er nog mensen van goede wil bestaan, een intentie die in de richting van het goede gaat. In de Bijbel staat geschreven dat Christus de discipelen terechtwijst wanneer zij hem ‘goed’ noemen. Alleen de Vader is goed! Het is ook duidelijk dat een mens niet in deze volmaakte zin goed kan zijn. Maar de wilsimpuls kan goed zijn. En indien dit niet zo is, kan het toch nog zo worden. Dus zou ik tegen iedereen die twijfelt aan de goede wil van de mens willen zeggen: Er is maar een persoon op de hele wereld die door jouw pogingen goed kan worden – en dat ben jij zelf. Wat heeft het voor zin om de regering te bekritiseren, de ministers, de minister-president of wie dan ook? Het heeft nog nooit ook maar iets geholpen en zal dat ook nooit.

Het sprookje van Goethe

Afgelopen zaterdag hebben wij in Amsterdam een Nederlandse vertaling van Goethe’s sprookje van de groene slang en de schone Lelie gepresenteerd. Het bevat Goethe’s imaginaties van de innerlijke wording van de mens. Ik citeer hier een imaginatie.

Vinden zonder te zoeken

In de zoektocht van Parsival zien we de noodzaak om de weg van het midden te vinden, midden tussen de tegenstellingen. Vanuit zijn natuur zou hij beslist heel veel, teveel vragen hebben gesteld. Door de opvoeding tot ridder heeft hij geleerd te overwegen – en vraagt hij helemaal niet. Hij loopt zo zijn opgave mis. Hij heeft geen verlangen naar de graal, hij weet er helemaal niets van en heeft de burcht al helemaal niet gezocht. Maar al zocht hij niet, hij vindt die toch. Terwijl hij naar de graal kijkt is hij wel verwonderd, maar niet genoeg om naar de betekenis te vragen.

De Burcht van de Visserkoning

De burcht is een beeld voor de grot waarin de ‘gewonde mens’ verblijft, het lijkt een imaginatie van de menselijke schedel te zijn. Daarin woont de visserkoning, le roi pecheur, deze gewonde mens, en zijn vader, die van de hostie leeft. Hierin vind je het beeld voor de menselijke tegenstelling: de gewonde mens en de reine mens. Perceval komt tijdens zijn omzwervingen per ongeluk bij de burcht, die niet te benaderen is. Hij heeft de weg niet gezocht, de burcht niet gezocht, maar vindt hem. Hij wordt uitgenodigd om deel te nemen aan de maaltijd. Hij ziet een stoet binnenkomen, een schoon meisje draagt een gouden schaal bezet met edelstenen, ‘un graal’. Daarin ligt een hostie voor de oude vader, die men niet ziet. Ook wordt in de stoet een bloedende lans meegedragen.

Plato, de allegorie van de grot

SOCRATES: En als hij zich in het beoordelen van de schaduwen zou moeten meten met de gevangenen die nooit de grot uit zijn geweest, terwijl hij nog niet goed kan zien en zijn ogen nog niet gewend zijn aan de duisternis — en het kan een hele tijd duren voordat hij daar weer aan gewend is — zou hij dan geen belachelijk figuur slaan? De achtergeblevenen zouden zeggen dat hij ziende naar buiten is gegaan en blind weer teruggekomen is en dat je dus maar beter helemaal niet de grot uit kunt gaan. En als hij hen dan zou proberen te bevrijden om hen naar boven naar het licht te brengen, zouden zij die onverlaat dan niet grijpen en ter dood brengen?