De Inwijding

In de vorige video’s over anthroposofie heb ik geprobeerd iets uit te werken over de drie- en vierledigheid van de mens, over karma en reïncarnatie, en de laatste keer over het hartdenken. En vandaag wil ik proberen iets te zeggen over de inwijdingsweg, die Rudolf Steiner ons heeft gewezen.

Het is duidelijk dat hij vond – en dat zal waarschijnlijk iedere ingewijde vinden – dat men eerst moet studeren. En dat laat zich zien daarin, dat in de boeken over geesteswetenschap, bijvoorbeeld de boeken “Theosofie” en ook “Die Geheimwissenschaft im Umriss”, Rudolf Steiner daarin eerst studiemateriaal geeft en pas helemaal aan het einde de inwijdingsweg beschrijft.

En dat heeft zijn goede reden, want als men zich wil ontwikkelen, naar de geest toe, dan betekent dat kort gezegd dat men het ego, dat men het egoïsme wil en ook moet overwinnen. En als men met de oefeningen voor de eigen ontwikkeling naar de geest toe zou beginnen, dan is dat eigenlijk een te sterke egoïstische drang. Daarom kan men zich voorstellen dat gezegd wordt: begin nu eerst eens met de studie.

Als je dat een tijdlang grondig hebt gedaan, ja, dan zal het ook tijd worden om te proberen, als je dat wilt, zelf misschien een stap naar de geest toe te zetten – of misschien ook vele stappen.

En dan zijn er eigenlijk twee duidelijk van elkaar verschillende wegen, die Rudolf Steiner heeft aangegeven.

De eerste weg vinden we in het boek “Hoe verkrijgt men kennis der hogere werelden?” Rudolf Steiner heeft altijd gezegd: er is nog een andere weg, en dat is de weg van de kentheorie.

De weg die beschreven wordt in “Hoe verkrijgt men…” is een weg die eigenlijk min of meer de mens als geheel omvormt. Men begint met zelfopvoeding en doet allerlei oefeningen, vooral in het begin in de natuur, maar later ook meer innerlijk. Deze oefeningen moeten begeleid worden door oefeningen in zelfopvoeding. Dat wordt in dit boek heel duidelijk uiteengezet.

Aan het einde van het boek, in een toevoeging of uitbreiding, staat echter dat, wanneer men de weg bewandelt en zijn ervaringen opdoet, eigenlijk alleen die ervaringen waardevol zijn, die in het zuivere denken worden gevat. Dus alles wat slechts gevoel of wilsmystiek is, wordt door Rudolf Steiner zover afgewezen, dat hij zegt: ja, daarop kan men eigenlijk niet vertrouwen, dat de resultaten objectief zijn. Ze moeten in het zuivere denken worden gevat.

En dit zuivere denken, de ontwikkeling daarheen, die vinden we juist in de andere weg – en dat is de weg van de zelfkennis in het zuivere denken.

Daar gaat het niet zozeer om dat men zichzelf als mens persoonlijk bekijkt en allerlei onvolkomenheden vindt en die verbetert. Het gaat dan allereerst om het denken zelf. En het gaat erom dat wij ons kenvermogen, dat wij in het denken hebben, grondig leren kennen en ook leren hanteren; dat wij zover komen dat wij het denken niet meer min of meer automatisch laten verlopen, maar dat wij het eerst tot een min of meer wetenschappelijk niveau verheffen, en dat wij dan de kracht vinden om dit werkelijk kennende denken ook, terwijl men het verricht, te kunnen aanschouwen – dus te leren kennen: het antwoord op de vraag, wat doe ik eigenlijk, wanneer ik ken?

Dat heeft Rudolf Steiner in zijn kentheoretische boeken uiteengezet, en centraal staat dan natuurlijk “De Filosofie der Vrijheid”. Daar gaat het niet om een natuurbeschouwing, daar gaat het alleen om een beschouwing van het denken zelf.

Dan later, in het tweede deel, gaat het erom dat men uit dit zuivere denken, waar de alledaagse persoonlijkheid met al zijn eigenaardigheden eigenlijk zwijgt, dat men uit dit zuivere denken leert morele intuïties te hebben en deze dan ook in daden om te zetten.

Men zou dus kunnen zeggen: deze ontwikkeling naar het zuivere denken toe is eigenlijk min of meer een voorbereiding daarop, dat men dan ook met vrucht zo’n boek als “Hoe verkrijgt men kennis der hogere werelden” kan lezen, begrijpen en uitvoeren. Want als er geen vermoeden is van wat dit zuivere denken eigenlijk is, hoe zou men dan die objectiviteit kunnen verkrijgen, die de geesteswetenschapper nodig heeft, wanneer hij werkelijk tot resultaten van zijn onderzoek komt.

En nu is het zo dat dit werk van de kentheorie, “De Filosofie der Vrijheid” en de boeken daaromheen, eigenlijk ook weer niet slechts met het gewone verstandelijke denken gelezen kunnen worden. Ja, dat kan natuurlijk wel, maar wat men dan krijgt, is dat men met zijn gewone, reeds verworven opvattingen “De Filosofie der Vrijheid” beoordeelt – of de andere boeken.

Het moet eigenlijk zo zijn dat men, wanneer men begint deze boeken te lezen, zich van tevoren voorneemt, eens werkelijk onbevangen deze inzichten tot zich te nemen, en ze dan zo intens mee te denken, dat het mogelijk wordt, wanneer men dan het boek terzijde legt en zegt: goed, nu wil ik nog eens nadenken over wat ik nu eigenlijk gelezen heb – dat het dan ook lukt om datgene wat men zo sterk in zich heeft opgenomen, zonder afwijzing, zonder aanname, eenvoudig te laten zijn – dat men dat dan ook kan reproduceren.

Dat zijn een hoop woorden die ik nu spreek.

En in seminars hebben wij deze woorden altijd laten volgen door gezamenlijke oefeningen, zodat wij datgene wat gezegd wordt ook in de werkelijkheid leren uitvoeren. Maar dat kan men met video’s niet doen. Video’s zijn sowieso een tamelijk moeilijk medium, want ik kijk in twee gaatjes van het opnameapparaat, en ik kijk niet in een groep van levende mensen, en moet mij dus steeds voorstellen dat die uiteindelijk toch daar zijn.

Maar ik weet niet waar, niet hoe, niet wat. Dat is iets heel anders dan tijdens een seminar.

Maar hoe het ook zij, ik wilde vandaag het verschil aangeven tussen “Hoe verkrijgt men…” enerzijds – een integrale ontwikkelingsmogelijkheid uitgaande van waarnemingen in de natuur, stemmingsoefeningen en vooral ook zelfopvoeding – en anderzijds eigenlijk min of meer een strenge innerlijke discipline in het denken, die men graag als grondslag heeft wanneer men dan uiteindelijk deze oefeningen van “Hoe verkrijgt men…” doet.

Want datgene wat met de zelfopvoeding wordt bereikt, dat is in het werk met “De Filosofie der Vrijheid” al voor een groot deel verworven. Want wat doen wij werkelijk, wanneer wij leren zinnelijkheidsvrij te denken, zuiver te denken?

Daarbij moeten wij de wil, die wij anders in de handeling ontplooien, geheel opofferen aan het denken, dat niets zinnelijks meer bevat.

En dat vraagt zo’n grote inzet, dat men daardoor de wil al voor een groot deel bevrijdt van het gewone alledaagse egoïsme.

Volgende keer verder.

 

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wie is Mieke Mosmuller?

Mieke Mosmuller is arts, schrijfster en filosofe. Zij schrijft over actualiteiten die raken aan haar filosofisch-spirituele ontwikkelingsweg die zij startte in 1983…

Recente artikelen

Ik heb vorige keer gezegd, alles blijft altijd hetzelfde. Het is natuurlijk duidelijk dat dat niet over de inhoud gaat, want inhoudelijk zijn er natuurlijk...
Ja, in onze tijd wordt opnieuw zo duidelijk hoezeer de wereld de antroposofie nodig heeft als cultuurfactor. Natuurlijk kan men zeggen: ja, de antroposofie is...
Ja, na enige tijd heb ik dan weer de moed gevat om hier te gaan zitten en het een en ander onder woorden te brengen....

Volg Mieke Mosmuller

Meest recente video

Wanneer uit de wereldwijdten
De zon spreekt tot de mensenzin
En vreugde uit de zielendiepten
Met het licht zich verenigt in het schouwen,
Dan trekken uit de omhullingen van het zelf
Gedachten in de ruimteverten
En verbinden dof
Het mensenwezen met het zijn van de geest

Wenn aus den Weltenweiten
Die Sonne spricht zum Menschensinn
Und Freude aus den Seelentiefen
Dem Licht sich eint im Schauen,
Dann ziehen aus der Selbstheit Hülle
Gedanken in die Raumesfernen
Und binden dumpf
Des Menschen Wesen an des Geistes Sein.

Volgende seminar

30.03.2026 – 01.04.2026
In der Woche vor Ostern besuchen wir unter der Leitung von Mieke Mosmuller die Kathedrale von Chartres.