Hartedenken

Wij hebben in de antroposofie een soort verwarring met betrekking tot het denken. Het denken is in onze tijd natuurlijk helemaal abstract, en wij kunnen soms ook het gevoel hebben dat het ook harteloos is. En dat leidt ertoe dat wij een verlangen voelen, om over het denken heen te komen naar iets wat weer met het hart vervuld is. Of misschien zonder het te merken, dat wij er niet overheen komen, maar dat wij terugglijden in iets wat tot het verleden behoort. En dat wil ik vandaag proberen iets duidelijker te maken. Antroposofie is een weg tot kennis, en kennen doet men met behulp van het denken. En dat is, geloof ik, ook iets wat de antroposofie niet zo populair maakt, dat wij daarvoor ons denken sterk moeten inzetten.

 

En wij hebben het gevoel: ja, in de wetenschap, oké, daar is het nu eenmaal zo dat met het denken de kennis verworven wordt, maar voor de spiritualiteit is dat toch werkelijk iets anders en zou dat niet harteloos moeten zijn. Ik neem eerst een stukje tekst van Rudolf Steiner uit zijn boek Die Philosophie der Freiheit. Dat heeft hij in 1894 gepubliceerd; in 1918 was een nieuwe uitgave gepland en hij heeft toen voor deze nieuwe uitgave meerdere toevoegingen geschreven, en op bladzijde 142 is er een belangrijke toevoeging, die iets kan ophelderen over de verhouding van denken, voelen en willen en het misverstand dat ten aanzien van het denken gevoeld wordt, omdat wij nu eenmaal in onze tijd niet in staat zijn zo direct te ervaren wat het denken eigenlijk in zijn diepere wezen is.

 

Daar schrijft Rudolf Steiner:

“De moeilijkheid om het denken in zijn wezen observerend te vatten, ligt daarin, dat dit wezen aan de beschouwende ziel al te gemakkelijk ontglipt, wanneer deze het in de richting van haar aandacht wil brengen. Dan blijft haar alleen het dode abstracte, de lijken van het levende denken.” Hier wordt ons dus erop gewezen dat het niet aan het denken ligt dat wij het als abstract ervaren, maar dat wij er niet in slagen om het denken in zijn ware wezen te vatten. “Wanneer men slechts naar dit abstracte kijkt, dan zal men zich er gemakkelijk toe gedrongen voelen, het levende element van de gevoelsmystiek of ook van de wilsmetafysica binnen te gaan. Men zal het vreemd vinden, wanneer iemand in louter gedachten het wezen van de werkelijkheid wil grijpen. Maar wie ertoe komt om het leven in het denken werkelijk te hebben, die komt tot het inzicht dat met de innerlijke rijkdom en de in zichzelf rustende, maar tegelijk in zichzelf bewogen ervaringen binnen dit leven, het weven in het loutere gevoel of het aanschouwen van het wilselement, nog niet eens vergeleken kan worden, laat staan dat deze boven dat zouden mogen worden gesteld. Juist uit deze rijkdom, uit dit innerlijk gevoel van beleven, komt het voort dat zijn tegenbeeld in de gewone zielshouding dood, abstract uitziet. Geen andere menselijke zielswerkzaamheid zal zo gemakkelijk miskend worden als het denken. Het willen, het voelen, zij verwarmen de mensenziel ook nog in het nabeleven van hun oorspronkelijke toestand. Het denken laat in dit nabeleven maar al te gemakkelijk koud. Het lijkt het zieleleven uit te drogen. Maar dit is juist slechts de sterk zich geldend makende schaduw van een doorlichtte, warm in de wereldverschijnselen onderduikende werkelijkheid. Dit onderduiken geschiedt met een in de denkactiviteit zelf voortvloeiende kracht, welke kracht van de liefde in geestelijke zin is. Men mag niet tegenwerpen: wie zo liefde in het actieve denken ziet, die legt een gevoel, de liefde, daarin. Want dit bezwaar is in waarheid een bevestiging van wat hier geldt. Wie zich namelijk tot het wezenlijke denken wendt, die vindt daarin zowel gevoel als ook wil, de laatste ook in de diepten van hun werkelijkheid. Wie zich van het denken afwendt en zich slechts tot het loutere voelen en willen richt, die verliest daaruit de ware werkelijkheid. Wie in het denken intuïtief wil beleven, die doet ook recht aan het gevoelsmatige en het wilsmatige beleven. Niet echter kunnen recht doen tegenover de intuïtief denkende doordringing van het bestaan, de gevoelsmystiek en de wilsmetafysica.”

 

Ja, voor mij is dat altijd een zeer betekenisvol stukje tekst geweest, omdat het ja, hoe zal ik het zeggen, opnieuw een zeer duidelijke bevestiging is dat de antroposofie eigenlijk van ons vraagt dat wij het denken ontwikkelen en leren vatten en dat wij dan, wanneer wij dat zo doen, ook gevoel en wil tegelijkertijd ontwikkelen en vatten. Maar de mens verlangt ernaar gevoelens te voelen. En dat is begrijpelijk. Het wordt steeds moeilijker om het zich ontwikkelende koude, abstracte denken te hebben en dan toch nog te geloven dat in dit denken oorspronkelijk de warme liefde is. En er is in de Gesamtausgabe van de voordrachten van Rudolf Steiner een voordrachtenreeks met de titel Makrokosmos und Mikrokosmos, en daarin beschrijft Rudolf Steiner zeer uitvoerig de ontwikkelingsweg, de meditatieve ontwikkelingsweg door imaginatie, inspiratie, intuïtie heen.

 

Wanneer men dat tot zich neemt en probeert na te volgen, dan ontdekt men al snel en gemakkelijk hoe moeilijk dat eigenlijk is. En wanneer Rudolf Steiner dan zegt dat wanneer wij de intuïtie bereikt hebben, dat dan eigenlijk pas de waarachtige imaginatie, de waarachtige inspiratie en de waarachtige intuïtie beginnen, dat men dus imaginatie, inspiratie, intuïtie eerst meditatief tot voorstadia ontwikkelt. En wanneer men dan de innerlijke trap van de intuïtie gevonden heeft, dat dan pas de mogelijkheid tot kenniszekerheid in de geest ontstaat. Dan zegt hij zelf: het is een weg van ontzegging. Maar wanneer men de energie, moed, werkzaamheid opbrengt, dan is het werk aan de voorstadia ook al zo zegenrijk, dat het helemaal niet moeilijk is om dat te doen. En ook wanneer er helemaal geen inhoud verschijnt wanneer men tot de intuïtiestap gekomen is, en men moet daar volharden, volharden, volharden, zonder dat deze waarachtige imaginaties verschijnen, dan is dat nog niet erg, omdat men voelt hoe sterk en gezond men in zijn zieleleven wordt.

 

Maar het interessante is, dat dan na deze voordrachten over de waarachtige imaginatie, inspiratie, intuïtie uit de bereikte trap van de intuïtie, dat Rudolf Steiner na deze voordrachten begint te spreken over een nieuw denken dat zal ontstaan wanneer men zover gekomen is. Wanneer men zover gekomen is dat men eerst oefeningen gedaan heeft voor de imaginatie, dat zijn beeldmeditaties. Dan oefeningen gedaan heeft voor de inspiratie, dat zijn levende denkkrachtmeditaties. Dan oefeningen gedaan heeft voor de intuïtie, dat zijn oefeningen waarin zowel beeld als kracht min of meer uitgeschakeld zijn en men in een innerlijke leegte terechtkomt. Wanneer men deze oefeningen gedaan heeft en men vordert dan verder in of na de trap van de oefenintuïtie, als ik het zo mag zeggen, wanneer men zover gekomen is, dan komt de tijd dat een nieuw denken zich zal aandienen, en dat noemt Rudolf Steiner dan Herzdenken. Dat is dus helemaal niet iets waarmee men zou kunnen beginnen. Dat is eerder iets dat, ja, ik wil niet zeggen helemaal aan het einde van de weg, maar toch een heel eind ver op de weg ligt. En hij zet dan ook heel duidelijk uiteen, dat het vroeger in zeer oude tijden voor de mensheid de normale toestand was dat de mensen een Herzdenken hadden, die hadden nog helemaal niet dit denken dat voor ons maatgevend is. Geen intellectueel denken, maar een onmiddellijk kennen van de waarheid met het hart. En wanneer men dan de voorafgaande voordrachten een beetje vergeet, dan zou men door zijn verlangen naar zulk denken kunnen menen dat Rudolf Steiner dan over het nieuwe Herzdenken spreekt dat men zo eenvoudig zou kunnen hebben. Maar zoals gezegd: het nieuwe Herzdenken ligt op de weg van de ontzegging. En wanneer wij bijvoorbeeld in het boekje, het Franse boekje, lezen: Men ziet slechts met het hart goed, dan is dat natuurlijk zeer aantrekkelijk, als dat toch maar mogelijk was. Maar dat is voor ons mensen niet mogelijk. Want wij hebben de taak om door het abstract-intellectuele denken heen te gaan, door een meditatieve ontwikkeling in het zuivere zintuigvrij denken.

 

En wanneer wij dat zouden willen overslaan, dan gaan wij niet verder, maar dan glijden wij terug. Wanneer wij dan dit stukje uit de Philosophie der Freiheit, deze toevoeging, opnemen, dan vinden wij daarin ook troost, dat, wanneer wij het denken werkelijk observerend proberen te vatten en wij hebben voldoende energie om dat steeds weer en weer op te nemen en te proberen, dat wij dan juist in het denken zelf datgene vinden waarnaar wij zo verlangen, namelijk de liefdeswarmte in het licht van het denken. Ik ken de troost al vele jaren, en de troost komt niet alleen uit het boek, die komt uit de werkelijkheid, uit het praktische oefenen met de ontwikkeling van het denken. En dat was mij een hartenwens, om dat eens publiekelijk uit te spreken.

 

Rudolf Steiner heeft natuurlijk in zijn Michael-Leitsätze geschreven, dat wanneer het Michaëlische denken zich doorzet, dat dan de harten beginnen gedachten te hebben. Dat weet ik maar al te goed, dat hij dat schrijft. Maar ook daar moeten wij het niet te licht opnemen, dat gaat niet zo één, twee, drie, dat is een tijdopgave en dat heeft men niet zomaar in een greep tot stand gebracht. Laten wij toch beginnen met het zuivere denken, met het vertrouwen dat er in dit zuivere denken een heersende kracht is die warmte van liefde is. Dan hebben wij in het licht van de kennis tegelijk ook de warmte van het hart. En dan verandert het gewone, abstract-intellectuele denken zich geleidelijk in een nieuw denken met het hart.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wie is Mieke Mosmuller?

Mieke Mosmuller is arts, schrijfster en filosofe. Zij schrijft over actualiteiten die raken aan haar filosofisch-spirituele ontwikkelingsweg die zij startte in 1983…

Recente artikelen

Ik heb vorige keer gezegd, alles blijft altijd hetzelfde. Het is natuurlijk duidelijk dat dat niet over de inhoud gaat, want inhoudelijk zijn er natuurlijk...
Ja, in onze tijd wordt opnieuw zo duidelijk hoezeer de wereld de antroposofie nodig heeft als cultuurfactor. Natuurlijk kan men zeggen: ja, de antroposofie is...
Ja, na enige tijd heb ik dan weer de moed gevat om hier te gaan zitten en het een en ander onder woorden te brengen....

Volg Mieke Mosmuller

Meest recente video

Wanneer uit de wereldwijdten
De zon spreekt tot de mensenzin
En vreugde uit de zielendiepten
Met het licht zich verenigt in het schouwen,
Dan trekken uit de omhullingen van het zelf
Gedachten in de ruimteverten
En verbinden dof
Het mensenwezen met het zijn van de geest

Wenn aus den Weltenweiten
Die Sonne spricht zum Menschensinn
Und Freude aus den Seelentiefen
Dem Licht sich eint im Schauen,
Dann ziehen aus der Selbstheit Hülle
Gedanken in die Raumesfernen
Und binden dumpf
Des Menschen Wesen an des Geistes Sein.

Volgende seminar

30.03.2026 – 01.04.2026
In der Woche vor Ostern besuchen wir unter der Leitung von Mieke Mosmuller die Kathedrale von Chartres.