Ja, er komen reacties op dat ik de antroposofische video’s in het Duits spreek. En het zou natuurlijk voor mij heel eenvoudig zijn om dit ook in mijn moedertaal te spreken. Maar u moet zich voorstellen dat wij jarenlang heel veel seminars en voordrachten hebben gegeven in het Duitstalige gebied. En dat er natuurlijk ook veel mensen zijn die daarbij zijn geweest. En ja, eigenlijk spreek ik in de eerste plaats voor deze mensen. En toen heb ik natuurlijk ook nooit in het Nederlands kunnen spreken, want dat zouden ze niet begrepen hebben. Want als je ergens live bent, zijn er immers geen ondertitels. Dus ik zet door. Ik ga verder in de Duitse taal, ook al is het misschien niet altijd perfect of helemaal niet perfect. Dat moet niet uitmaken. Ik probeer het zo goed mogelijk te doen.
En daar komt natuurlijk nog bij dat de antroposofie oorspronkelijk ook in de Duitse taal gegeven is. Dus dat maakt het ook wel heel aangenaam om in deze taal verder te spreken. De vorige keer ben ik begonnen met karma en reïncarnatie. En aan het einde bleef de vraag of het misschien zo zou kunnen zijn dat ook de wereld een levend wezen is dat een geheugen heeft. En dat het misschien zo zou kunnen zijn dat, door bepaalde omstandigheden, bepaalde gebeurtenissen uit het verleden weer, min of meer, herinnerd worden. Dat was de vraag. En in het boek Theosofie gaat Rudolf Steiner dan verder met zijn gedachtegang, beantwoordt deze vraag niet rechtstreeks, maar gaat weer terug – naar het menselijk geheugen. En dat is heel vruchtbaar, ook voor ons in onze tijd, want we hebben werkelijk heel verkeerde, merkwaardige ervaringen met betrekking tot wat geheugen nu eigenlijk is.
En eigenlijk is de computer tegenwoordig voor ons het voorbeeld. We werken ermee en we slaan datgene wat we willen bewaren op – dat slaan we op in het geheugen en we kunnen het dan later weer ophalen. En dat veroorzaakt bij ons dat we steeds meer en meer in de moderne psychologie en wetenschap gaan geloven, dat het met het menselijke geheugen ook zo werkt. Dat we dus heel veel beelden in ons opgeslagen hebben, met allerlei ervaringen, en dat we, als we ons dat willen herinneren, dat we dan in zekere zin in een kaartenbak duiken en op wonderlijk slimme wijze weten waar we moeten zijn en dan de juiste kaart uit de bak omhooghalen. Dat is dan de herinnering. Dat is datgene wat we in het geheugen hebben ingeprent. Zo voelen we het toch ook.
We denken dat datgene wat een voorstelling is, en dan een geheugenvoorstelling wordt, dat dat zoiets is als een soort van foto die ergens in ons ligt opgeslagen. We zijn nog in de oude tijd, dat er nog geen computers waren, toen we arts waren en we hadden nog zulke kaartenbakken met een patiëntendossier op papier – niet op het scherm, maar op papier – en daar werd alles genoteerd. En als de patiënt terugkwam – en natuurlijk kon je je niet alles zelf herinneren – dan nam je de kaart of liet je de kaart brengen. En dan kon je kijken wat er ook alweer aan de hand was. Zo denkt men dat het menselijk geheugen ook functioneert. En het is dan werkelijk wonderbaarlijk om een reis in zelfwaarneming te maken met Rudolf Steiner, die ons er dan op wijst dat we ons eerst bewust zouden moeten worden dat een voorstelling er alleen is zolang de zintuiglijke indruk er is.
Als ik een zintuiglijke indruk heb, dan heb ik die alleen als ik bij het ding ben dat mij die indruk geeft. Als ik me omdraai, heb ik hem al niet meer. En de voorstelling die ik van de indruk heb, op het moment dat ik de indruk heb, is er ook alleen zolang ik met het zintuigding samen ben. Als ik daarvan wegga, dan is ook de voorstelling weg. En nu is het iets wonderbaarlijks, dat wij als mensen het vermogen hebben om zulke voorstellingen later weer te herinneren. En Rudolf Steiner zegt: als je geoefend bent in zelfwaarneming, dan kun je nagaan dat er helemaal geen bewaren van voorstellingen is, maar dat de ziel iets doet met de voorstelling, waardoor die later opnieuw gevormd kan worden.
Dus we hebben geen kaartenbak met foto’s in ons, waaruit we dan weer een tevoorschijn kunnen halen, maar we kijken naar binnen, zoals we ook naar buiten kijken – alleen is dat naar binnen kijken niet met de zintuigen, maar met de ziel. We kijken naar binnen en we weten waar de indruk gebleven is. En daar, waar de indruk gebleven is, vormen we dan de voorstelling opnieuw. Dus wat is dat voor iets wonderbaarlijks, als je je deze levendigheid voorstelt, waarmee we ons herinneren uitoefenen. Dus we hebben geen dossiers in ons, we hebben niet de hele levensinhoud kant en klaar in ons opgeslagen. Maar we hebben een mogelijkheid om naar een bepaald moment terug te gaan en daar iets te doen, waardoor we in staat zijn de voorstellingen opnieuw te vormen.
Het is altijd de ziel die daarbij is, want de ziel is de draagster van het bewustzijn. En als we dus bewust waarnemen, is de ziel erbij. Als we bewust herinneren, is de ziel ook erbij. Nu heeft de ziel een verhouding tot de geest. De ziel is dus eigenlijk de bewaarster van het verleden. Zij weet waar zij moet zijn om dit verleden weer in het bewustzijn wakker te roepen, doordat het zich opnieuw vormt. En de ziel heeft een verhouding tot de geest. In het boek Theosofie beschrijft Rudolf Steiner de geest als de instantie die de waarheid, het schone en het goede beheert – die de waarheid kent, het schone kan vormen en het goede kan doen via de geest. Maar de geest heeft ook nog een andere kant, en daar komt deze verhouding met de ziel tot stand, want de ziel als bewaarster van het verleden levert eigenlijk alle vruchten van het verleden aan de geest. De geest krijgt de vruchten van het verleden door bemiddeling van de ziel. En we weten natuurlijk dat we lang niet alles wat het leven ons gebracht heeft, uit de herinnering weer wakker kunnen roepen. Er is natuurlijk heel veel dat min of meer voor het bewustzijn verdwenen is. En dan komt weer zo’n punt dat in de zelfwaarneming duidelijk wordt, en dat zo’n soort van gelukzaligheid geeft als je je daarvan bewust wordt – namelijk dat eigenlijk alles wat de ziel in het leven beleeft en voor de eeuwigheid bewaart, ook al vergeten we het, vermogens oplevert. En het meest voor de hand liggende voorbeeld is natuurlijk het leren schrijven.
Als we bedenken wat we allemaal gedaan hebben op school om te leren schrijven – wat daar allemaal aan gebeurtenissen en ervaringen geweest zijn bij het eerst schrijven van een A en dan beleven dat dat mogelijk is, dat je een klank kunt opschrijven, dat dan woorden geschreven en gelezen kunnen worden, en dan zinnen, en dan hele boeken – het leren van deze vaardigheid is de vrucht. En alles wat moest gebeuren om deze vrucht te kunnen oogsten, dat mag vergeten worden. Maar de ziel geeft op deze manier talloze vruchten aan de geest.
En als men dat meditatief tot zich neemt en zich daarin iets langer verdiept, dan kun je niet anders dan erkennen dat dat zo is. Het voorbeeld van schrijven is toch duidelijk genoeg – dat we de omstandigheden vergeten, maar dat we de vaardigheid behouden. Daar zou je dan nog kunnen zeggen, ja, of dat dan iets met de geest te maken heeft, of die vaardigheid dan in de eeuwigheid doorgaat, als je reïncarnatie werkelijk serieus neemt. Dan zou je moeten zeggen: als je terugkomt op aarde, zou je dus weer moeten kunnen schrijven zonder het te leren – maar zo is het natuurlijk niet. Ook dat leren schrijven is weer een deelvaardigheid die ertoe leidt dat de geest een veel grotere vaardigheid verwerft dan alleen het schrijven. Zo is het ook met muziek.
Zo is het met alles wat we leren – het hoeven niet altijd heel grote, belangrijke dingen te zijn. Als je leert koken – dat is natuurlijk eigenlijk ook een grote, belangrijke zaak – maar als je dat leert, dan mag je ook daar jezelf observeren, en wat wordt er niet allemaal uit al die kleine ervaringen die je daar opdoet, de kleine vaardigheden die je leert, voor een grotere vaardigheid: dat je een maaltijd kunt bereiden. En zo zit het hele leven in elkaar. En als je dat meditatief overdenkt, ja, dan wordt de mens toch iets anders dan een kaartenbak met herinneringsbeelden die je wel of niet tevoorschijn kunt halen. Dus dat is het tweede deel in deze overwegingen met betrekking tot karma en reïncarnatie. Het eerste deel leidde tot de vraag: zou het niet kunnen zijn dat de wereld ook een levend wezen is met geheugen en herinnering? Het tweede deel voert ons dieper in de processen van geheugen, herinnering en, je zou kunnen zeggen, het verwerven van vaardigheden. En dan zijn we natuurlijk heel benieuwd hoe het verder gaat.



