Wereldherinnering

Aan het begin van het hoofdstuk Wederbelichaming en Karma in het boek ‘Theosofie’ van Rudolf Steiner heeft hij ons de vraag gesteld of het niet zo zou kunnen zijn dat de grote wereld ook een herinneringsvermogen heeft, zoals wij dat in het kleine ook hebben. Wanneer wij iets waarnemen of iets beleven, alle gebeurtenissen van het leven, die drukken zich in het geheugen af en wij zijn daartoe in staat, binnen bepaalde grenzen, wij zijn daartoe in staat deze voorstellingen opnieuw te vormen uit het geheugen. En Rudolf Steiner stelt dan de vraag of de wereld niet ook een geheugen heeft en dat deze wereld zich herinnert wat wij de wereld hebben aangedaan, of dat nu positief of negatief is, alles wat wij de wereld aandoen zou misschien door de wereld herinnerd kunnen worden. Dat is natuurlijk onmiddellijk onzin wanneer men de wereld slechts materieel bekijkt, dan kan dat helemaal niet. Zo’n vraag geldt alleen voor mensen die er gevoel voor hebben zich met het zielengeestelijke van de wereld bezig te houden. Dus, ons wordt die vraag gesteld. En nu, aan het einde van het hoofdstuk, komt die vraag terug. Men heeft bij het lezen van het hoofdstuk al vaak het gevoel: komt deze vraag nog tot een antwoord? Ja, aan het einde van het hoofdstuk komt het antwoord. En dan wordt opnieuw gezegd: heeft de wereld ook een geheugen? En hoe werkt dat dan? En dan zegt Rudolf Steiner: ja, de wereld herinnert zich onze daden. Wij hebben, doordat wij handelende personen zijn, in één leven voortdurend dingen gedacht, gevoeld, gedaan, die aanleiding zijn dat de wereld verandert. En de wereld weet dat. En dan komt er een zeer interessante gedachte. En dat is dat Rudolf Steiner dan zegt: men zou natuurlijk gemakkelijk kunnen zeggen, ja, wanneer de wereld zich dat dan herinnert, waarom zouden dan niet in één leven ook de gevolgen van de daden optreden? Zoals dat in ons denken gebruikelijk is: oorzaak en gevolg, die zijn niet zo ver gescheiden dat men zich daarbij een volgend leven moet voorstellen. Maar Rudolf Steiner legt dan uit dat dat bij deze daden niet het geval kan zijn. Want de mens bevindt zich in zijn leven binnen een geheel van zijn daden. Dus, het is niet zo dat elke daad op zichzelf bestaat en dan afgelopen is en dan na jaren een gevolg kan hebben. Ja, dat kan natuurlijk in het uiterlijke leven wel, maar in het innerlijke leven is dat niet mogelijk.

Zo zegt hij, zoals men zich ook iets niet kan herinneren wanneer een gebeuren nog gaande is. En dat kan men in zichzelf navoelen, dat gaat niet. Wanneer men ergens middenin zit, dan herinnert men zich dat niet, dat gaat niet, dat is pas achteraf mogelijk. En zo is het ook met de wereldherinnering, dat datgene wat wij in een leven doen, niet in ditzelfde leven al tot gevolgen kan leiden. Daarvoor moet eerst de gehele daad van het leven volbracht zijn. En dan, wanneer deze gehele daad van het leven volbracht is, dan wordt het mogelijk dat bij een opnieuw betreden van de aarde de gevolgen van deze daden, eigenlijk van deze daad, op ons afkomen. En zoals wij innerlijk een herinneringsvermogen hebben, zo komt deze wereldherinnering van buitenaf naar ons toe.

Wij komen terug op de aarde, en wij worden misschien in een geheel andere streek geboren dan waar wij in een vorig leven geleefd hebben. Dus met de plaats heeft dat niets te maken, maar het heeft met de daden te maken. En van buitenaf komt dan het gevolg van de daad en grijpt min of meer ons Ik aan, en dat is het lot. Dat is dus een reeks van gevolgen die wij te lijden of te genieten hebben, die niet van binnenuit komen, maar die werkelijk uit de wereld van buitenaf op ons afkomen. En wanneer wij dat zouden weten, werkelijk, wanneer wij zo zouden kunnen leven dat wij ons leven zo leiden dat wij zouden weten dat al datgene wat mij als een soort toeval overkomt, dat dat iets levends is, dat dat voortkomt uit de levendigheid van de gevolgen van mijn vorige levensdaad.

Wanneer wij dat zouden weten, dan zouden wij heel anders in ons leven kunnen zijn en ook voor onze medemensen, en voor de gemeenschap, voor de wereld geheel andere mensen kunnen worden. Want nu zijn wij natuurlijk vaak geheel geërgerd of verontwaardigd over wat ons allemaal overkomt. Maar wanneer wij werkelijk zouden weten, dus niet alleen als een voorstelling die waar kan zijn of ook niet; wanneer wij werkelijk zouden weten dat van buitenaf het gevolg van ons eigen leven op ons afkomt, ja, dan zou men zich heel anders voelen. En wanneer men dan ook nog weet – dat staat hier niet – dat deze vormgeving van de gevolgen, dat die geheel in overeenstemming met onszelf tot stand komt, dat wij dus zelf medewerkend geweest zijn bij de vormgeving van ons volgende leven, ja dan wordt het nog duidelijker dat datgene wat van buitenaf op ons afkomt, dat wij dat in volle zin en betekenis zelf zijn. Dus, wanneer ik mijzelf wil leren kennen, dan is het kijken naar de gebeurtenissen van mijn leven, die van buitenaf op mij afkomen, een zeer belangrijke werkzaamheid. Dus, Rudolf Steiner beëindigt eigenlijk dit hoofdstuk – het gaat nog een beetje verder – maar hij beëindigt dit hoofdstuk daarmee dat men een idee krijgt over wat het lot eigenlijk is, en mij heeft dus zeer geraakt de gedachtegang die hij daar schrijft, namelijk dat datgene wat in dit leven door ons gedaan wordt, dat dat onmogelijk in dit leven ook zijn gevolgen kan hebben. En wanneer men dat meditatief op zich laat inwerken, dan krijgt men al een vermoeden van het ware geestelijke, want dan moet het verstand wel ophouden werkzaam te zijn.

Ik kan mij voorstellen, wanneer ik een mes neem en ik snijd uien, bijvoorbeeld, en ik snijd niet goed, dan snijd ik in mijn vinger en dan heb ik een wond enzovoort. Dat is, daar kan men oorzaak en gevolg – hoewel men daar natuurlijk ook veel dieper in zou kunnen kijken – maar daar kan men oorzaak en gevolg onmiddellijk zien. Ik heb niet goed opgelet en ik snijd mij. Zo menen wij dat het hele leven in elkaar steekt. En wanneer dan dingen voorvallen die niet logisch zijn, waar oorzaak en gevolg niet begrijpelijk zijn, ja, dan worden wij eigenlijk geërgerd en boos dat ons zoiets overkomt. Maar juist hier zou men een vermoeden van het geestelijke kunnen krijgen, hoe iets van buitenaf min of meer als een levende werking op ons toekomt, die ons Ik aangrijpt, en dan in datgene wat ons in het leven overkomt, dat wij de werking van het geestelijke uit het verleden kunnen leren voelen. En mij verheugt zo zeer de wijze waarop Rudolf Steiner de gedachten leidt, die al in zichzelf zo geest- rijk zijn, dat het eigenlijk niet zou kunnen gebeuren dat men zo’n hoofdstuk leest en dan daarna niet een klein stukje de geest dichter genaderd is.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wie is Mieke Mosmuller?

Mieke Mosmuller is arts, schrijfster en filosofe. Zij schrijft over actualiteiten die raken aan haar filosofisch-spirituele ontwikkelingsweg die zij startte in 1983…

Recente artikelen

Aan het begin van het hoofdstuk Wederbelichaming en Karma in het boek ‘Theosofie’ van Rudolf Steiner heeft hij ons de vraag gesteld of het niet...
Nu heb ik de vorige keer over een eerste scenario gesproken en een stukje uit een voordracht van Rudolf Steiner voorgelezen, waarin hij benadrukt dat...
In de vorige video heb ik geprobeerd, aan de hand van Rudolf Steiners Theosofie aan te geven hoe de ziel als middelste lid tussen lichaam...

Volg Mieke Mosmuller

Vrienden Mieke Mosmuller
Meest recente video

Ik voel hoe vruchtdragend vreemde macht,
zich sterkend, mij aan mijzelf geeft,
De kiem voel ik rijpend
En vermoeden lichtvol weven
In het innerlijk aan de macht van de zelfheid.

Ich fühle fruchtend fremde Macht
Sich stärkend mir mich selbst verleihn
Den Keim empfind ich reifend
Und Ahnung lichtvoll weben
Im Innern an der Selbstheit Macht.

Volgende seminar

30.03.2026 – 01.04.2026
In der Woche vor Ostern besuchen wir unter der Leitung von Mieke Mosmuller die Kathedrale von Chartres.