De Ziel

Het lijkt erop dat ik elke keer moet uitleggen waarom ik als Nederlandse Duits spreek. Ja, dat kan ik natuurlijk niet elke keer doen. En ik weet maar al te goed dat ik een Nederlandse ben die probeert Duits te spreken. Maar ik blijf het zo doen, omdat ik veel Duitstalige vrienden heb, die in de loop der jaren min of meer met mij mee op weg zijn gegaan. En als ik echt over antroposofie spreek, zoals ik dat in deze video’s doe, dan spreek ik Duits. En helemaal slecht is mijn Duits natuurlijk ook niet. We gaan verder met de uiteenzettingen van Rudolf Steiner in zijn boek Theosofie over reïncarnatie en karma. En een grote vraag is altijd, als men bijvoorbeeld wil onderscheiden of bepaalde aanleg uit de erfelijkheid komt of uit de individualiteit, dan is een grote vraag: hoe doe ik dat? En in het volgende gedeelte geeft Rudolf Steiner daarvoor enkele verklaringen. En hij gaat dan uit van datgene wat wij de ziel noemen, die de schakel is tussen geest en lichaam. Nu is het natuurlijk zo dat de ziel naar beneden als het ware een verbinding met het lichaam heeft. Dus zij is niet als een bal of zoiets, of een bol, tussen geest en lichaam ingeschakeld, maar zij strekt zich ook tot in het lichamelijke uit. Naar beneden strekt zij zich uit in datgene wat wij het astraallichaam noemen. We stellen ons eens voor: de mens, die een lichaam heeft, die heeft ook een etherlichaam. Dit etherlichaam doorleeft het fysieke lichaam. Maar wij hebben ook nog een astraallichaam en dat is niet de ziel. Het astraallichaam is – Rudolf Steiner noemt het hier – het vluchtigste deel van het lichaam, is dus aan de ziel verwant, maar de ziel strekt zich met haar onderste – dat moet men niet moreel duiden – haar onderste delen, dat is de gewaarwordingsziel, tot in het astraallichaam uit.

En men kan dat eigenlijk alleen in zichzelf werkzaam laten worden als men echt probeert zich dat in een beeld voor te stellen. Lichaam, etherlichaam, astraallichaam, en dit astraallichaam is dan door het ziele-element, de gewaarwordingsziel, doordrongen, doorweven. Nu is het astraallichaam min of meer nog erfelijk en familiaal bepaald. Dus we hebben hier te maken met iets zielachtigs, dat – hoewel het zielachtig is – toch uit de erfelijkheid voortkomt. Uit de erfelijkheid, maar ook uit de omgeving waarin men geboren wordt. Natie, volk, school, enzovoort. Goethe zegt de bekende woorden: van vader heb ik de gestalte, het ernstige leiden van het leven, van moedertje de vrolijke aard, de kunst om te fabuleren. Het is toch duidelijk dat dat ziele-eigenschappen zijn – het ernstige leiden van het leven en de kunst om te fabuleren, de vrolijke aard – dat zijn etherisch-astraalachtige eigenschappen die uit de familie gekomen zijn en dat is natuurlijk niet zijn eigenlijke genie, maar het is een basis daarvoor.

En als men dan helemaal naar boven kijkt, dan hebben wij als hoogste deel van de ziel de bewustzijnsziel en wij zijn nu in de tijd aangekomen waarin wij deze bewustzijnsziel werkelijk ontwikkelen. En deze bewustzijnsziel heeft in zich het verlangen, het denken, voelen en willen van de ziel zó te ontwikkelen, dat deze drie krachten, deze drie werkingen, dat deze werkzaam zijn op het gebied van waarheid, schoonheid en goedheid. Dat is bewustzijnsziel. De bewustzijnsziel kan ook helemaal omlaag vallen en alleen met zichzelf bezig zijn. Maar eigenlijk wil de bewustzijnsziel zich boven de egoïteit ontwikkelen en wil in een objectieve denk-, voel- en wil-wereld leven, namelijk in de waarheid, in de schoonheid en in de goedheid. En daar, waar dit het geval is en ook ontwikkeld wordt, daar straalt het geestzelf, wat een geestelijk lid van de mensenwezenheid is, in het ziele-element binnen.

 

Dus men zou ook kunnen zeggen: daar straalt de bewustzijnsziel in het geestzelf. Er komt een wisselwerking tot stand, waardoor het geestzelf zich in het aardeleven al een beetje kan tonen, hoewel dat in onze tijd eigenlijk nog niet aan de orde is, want wij ontwikkelen de bewustzijnsziel en in een volgende cultuurperiode zullen wij dan veel meer het geestzelf ontwikkelen, maar wij bereiden dat voor. En zo hebben wij de ziel, die naar boven met het geestzelf verbonden is en die naar beneden met het astraallichaam verbonden is. Dus naar beneden hebben wij deze ziele-eigenschappen van de mens, die in de aardse verhoudingen geworteld zijn. En die zijn het meest opvallend. Daarop is onze blik vooral gericht, altijd. En daar kunnen wij de individualiteit, die door de incarnaties heen gaat, het minst vinden, omdat daar de erfelijke aanleg het belangrijkste is.

En dat zegt natuurlijk al iets over de individualiteit, dat deze zich zo’n erfelijke aanleg kiest, waarin zij zich wil incarneren. Maar het is natuurlijk helemaal niet duidelijk, wat dan in deze keuze eigenlijk de individualiteit is. Wil men dus de individualiteit min of meer zuiver vinden, dan kan men niet in het gebied blijven waar de gestalte en het leiden van het leven en het temperament en de ziele-erfelijke eigenschappen leven – daar kan men dat niet vinden. Want dat zijn wel uitingen van de individualiteit, maar het is niet de individualiteit zelf die men daar ziet. Men moet dus in een heel ander gebied leren zoeken om zichzelf als eeuwig wezen of ook anderen als eeuwig wezen te vinden. En dat is dus in het gebied waar de ontwikkeling van het denken tot een waarheidsinstrument wordt, waar de kunst op het gebied van schoonheid gevonden wordt. En dan moet men schoonheid werkelijk opvatten als het verschijnen van het ware wezen – dat is dus toch nog iets anders dan wat ook onder kunst verstaan wordt. Schoonheid, en dan de goedheid – en daarvoor, ja, men komt daar natuurlijk in een gebied terecht, waar het geheim van de individualiteit woont, want men voelt onmiddellijk: men kan wel voor zichzelf bepalen wat het goede is in daden, maar het is zeer, zeer moeilijk en eigenlijk ook slechts zelden goed, als men het goede probeert te beoordelen in daden van medemensen. Dat zou men alleen kunnen, als men werkelijk in de impulsen van het handelen zou kunnen binnendringen. En ja, dat is het grote geheim van de menselijke individualiteit: dat de wil geheim is – hij belichaamt ook een geheim. En men moet dus het goede toch in zichzelf zoeken.

 

Maar dit gebied – het ware, het schone en het goede – dat zijn de drie gebieden die zich tonen, waarin de individualiteit werkelijk zichtbaar kan worden. En het is dan tegelijkertijd duidelijk hoe moeilijk dat is, want de meeste mensen tonen zich daar helemaal niet. Die tonen zich door hun erfelijke aanleg. Dus hier is er een stukje begripsvorming die Rudolf Steiner geeft, waardoor wij kunnen begrijpen wat het is als wij de ziele-eigenschappen van een mens in de erfelijke aanleg bekijken, en wat het is als wij de individuele aanleg in het geestgebied bekijken.

Voor het begrip van reïncarnatie en karma is het van groot belang dat wij deze geleding van de menselijke wezenheid steeds meer in een beeld leren zien, zodat wij ons werkelijk zo krachtig als maar mogelijk voorstellen dat de ziel de bemiddelaar is tussen lichaam, etherlichaam, astraallichaam enerzijds en geestzelf, levensgeest, geestmens anderzijds. De hogere ledematen zijn nog zo in het begin van hun ontwikkeling dat wij ze slechts moeilijk kunnen waarnemen. Maar daar leeft de ware eeuwige individualiteit. Volgende keer weer verder.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wie is Mieke Mosmuller?

Mieke Mosmuller is arts, schrijfster en filosofe. Zij schrijft over actualiteiten die raken aan haar filosofisch-spirituele ontwikkelingsweg die zij startte in 1983…

Recente artikelen

Ja, in onze tijd wordt opnieuw zo duidelijk hoezeer de wereld de antroposofie nodig heeft als cultuurfactor. Natuurlijk kan men zeggen: ja, de antroposofie is...
Ja, na enige tijd heb ik dan weer de moed gevat om hier te gaan zitten en het een en ander onder woorden te brengen....
IHet is vandaag vierde zondag in de Advent en Ik wil proberen iets over de Advent en over Kerstmis te zeggen, en ook over de...

Volg Mieke Mosmuller

Meest recente video

Ik voel kracht van het wereldzijn,
Zo spreekt gedachtenhelderheid,
Gedenkend het groeien van de eigen geest
In donkere wereldnachten
En neigt tot de nabije werelddag
De stralen van de hoop van het innerlijk.

Ich fühle Kraft des Weltenseins:
So spricht Gedankenklarheit,
Gedenkend eignen Geistes Wachsen
In finstern Weltennächten
Und neigt dem nahen Weltentage
Des Innern Hoffnungsstrahlen.

Volgende seminar

30.03.2026 – 01.04.2026
In der Woche vor Ostern besuchen wir unter der Leitung von Mieke Mosmuller die Kathedrale von Chartres.