Gedachten hebben geen kracht, zei ik de vorige keer. En ik heb geprobeerd dat te nuanceren door te zeggen dat ze wel kracht kunnen hebben. En ik vind het heel fijn dat daar zulke genuanceerde reacties op komen, niet alleen op YouTube, maar ook in de vorm van e-mails, dat geeft de moed om dit thema weer verder te doen. Een van de vragen was: Is er niet een tekst die we samen zouden kunnen doen of lezen, waardoor we gezamenlijk in de richting komen van een positief scenario, niet een oorlogsscenario, maar een positief wereldscenario. En ik weet al meteen welk citaat uit het werk van Rudolf Steiner ik daarvoor zou willen nemen. En dat heb ik dan ook genomen. Dat zal ik zo dadelijk voorlezen. Maar van tevoren wil ik nog iets anders zeggen, wat daar natuurlijk wel mee te maken heeft. En dat is dat het van belang zou zijn dat wij als mensen ons veel meer zouden bezinnen op het, laat ik maar zeggen, geestelijke deel in ons. Wij verschillen van het dier. Dat is tegenwoordig een waagstuk om zoiets te zeggen, maar we verschillen toch echt van het dier, daardoor dat we niet alleen een ziel hebben, maar dat we ook geestelijk zijn, dat we een wezensdeel in ons dragen dat uit de geestelijke wereld komt en niet alleen uit de zielenwereld. En ja, dan is de vraag natuurlijk, waar vind je dat dan in jezelf? Nou, dat is eigenlijk de anthroposofie, zou je kunnen zeggen. En ik probeer in de andere video’s die ik maak, dus die ik Duits spreek, daar ook dieper op in te gaan.
Maar als we het hebben over hebben gedacht Kracht?, en we zeggen, nou, van nature hebben ze dat niet, maar ze kunnen het wel krijgen, dan is het van belang dat we ons bezinnen erop; Waar in mij is dat wezensdeel dat niet alleen maar ziel is, maar dat daarbovenuit uit de geestwereld komt? En juist dat wezensdeel is in onze huidige constitutie buitengewoon diep weg verborgen. En aan de andere kant ligt het zo voor het grijpen. Het is diep wegverborgen omdat de zintuigelijke indrukken zo ongelooflijk sterk zijn. En daardoor wordt het geestelijke deel van ons aardeleven en ons bewustzijnsleven eigenlijk min of meer weggeslagen. We leven in een mooie of in een minder mooie of in een verschrikkelijke wereld die we door de zintuigen in ons opnemen.
En die indrukken zijn zo sterk dat het je ontgaat dat je daarin voortdurend denkt. We hebben van nature het gevoel dat de zintuigindrukken ook meteen aan ons openbaren wat ze zijn. Als je er dieper over nadenkt, dan weet je natuurlijk dat dat niet zo kan zijn, want dan zou je altijd weten wat je ziet, wat je hoort, wat je voelt enzovoort. Dat is niet zo. Dus er is een bepaalde andere activiteit nog in ons die zich daarbij voegt bij die zintuigindrukken en die hebben we niet in de waarneming. Dat merken we niet. We hebben die voortdurend, maar die wordt overschaduwd op een geweldige manier door de pure zintuiglijke indruk, waardoor in ons de overtuiging meer of minder bewust ontstaat dat we in een zuiver materiële wereld leven. De zintuigindrukken toveren ons dat eigenlijk min of meer voor, dat alles materieel is. En zo kan het komen dat je geleerd krijgt dat ook bijvoorbeeld gedachten eigenlijk uit het materiële bestaan komen. Dat het een soort van uitwasemingen of bloeiverschijnselen zijn van de hersenen en dat we dus in die zin, wanneer we ooit sterven, dat dan eigenlijk alles weg is. Dat heeft dus te maken met de overweldigende kracht van de zintuigindrukken en het spiegelbeeldkarakter van datgene wat daarin ons in feite zegt wat we waarnemen. Namelijk het denken. Nu is dus juist dat denken in de mens het gebied waar we thuis zijn in het geestelijke bestaan. En juist dat gebied worden we eigenlijk niet gewaar. We kennen wel het gedachtenleven in de zin van associaties, herinneringen. lustgedachten, afkeergedachten, angstgedachten, van alles. En we kennen ook het wetenschappelijke denken, maar we hebben niet in de gaten dat dat echte, objectieve, geestelijke denken, dat dat altijd werkt in de zintuigelijke waarneming, echt erin. Dus je weet dat iets een boom is, omdat je die idee van het boom-zijn als gedachtenwezen in je draagt. En bij kleine kinderen kun je dat eigenlijk ook zien. Ik vind dat altijd zo ontroerend, dat zo’n heel klein kind, als het eenmaal weet wat een poes is, dat het dan niet alleen die ene poes waar het aan heeft leren weten als een poes herkent, maar dan ook alle poezen als een poes herkent. En zelfs als het een plaatje ziet met zo’n heel simpel beeldtekeningetje met een kopje en twee oortjes, een lijfje en twee van die pootjes en die staart die er zo al mee in hangt. Het kind ziet onmiddellijk: dat is een poes. Dat is eigenlijk het bewijs dat de mens een geestelijk wezen is en dat dat iets is wat in de loop van het leven natuurlijk steeds meer ontwikkeld raakt. En dat je, wanneer je dat zou kunnen vatten, dan zou je dat wezensdeel van de geest, dat in alle zintuigwaarneming zuiver werkzaam is, in jezelf herkennen.
Nu is Rudolf Steiner een ingewijde in de geestelijke geheimen geweest in het begin van de 20ste eeuw. En ik weet natuurlijk hoe hij behandeld is en hoe hij nog steeds behandeld wordt, eigenlijk bespot wordt en uit zijn grootsheid wordt gehaald tot een soort onbetrouwbaar mannetje. Maar wanneer je zijn werk kent, dan leer je dat wel af, die gedachten en die gevoelens.
Deze mens, die dus een ingewijde was in de geestelijke geheimen, heeft de Eerste Wereldoorlog meegemaakt. Hij leefde in die tijd en hij heeft dat van heel dichtbij beleefd en de geestelijke kant daarvan waargenomen – wat je als gewoon mens zomaar niet kunt. Je kunt er allerlei ideeën over hebben. Maar het is natuurlijk zo dat het hele gebeuren van zo’n oorlog ook een feitelijk gebeuren is. En dat feitelijke gebeuren dat berust op bepaalde geestelijke feiten. En daar kun je over redeneren, maar daarmee heb je ze niet. Iemand die dieper kan kijken, die heeft ze wel, die geestelijke feiten, want die ziet ze eenvoudigweg. Rudolf Steiner heeft zich heel veel moeite gedaan om die geestelijke waarnemingen en die geestkennis die hij had, die hij opdeed en die hij ook door voortdurend innerlijke activiteit deed toenemen, zal ik maar zeggen, hij heeft zich moeite gedaan om die geestkennis bij de mensen te brengen. En op 1 januari 1919, dus dat is niet lang na het einde van de eerste wereldoorlog, spreekt hij over de feitelijke oorzaak van oorlogen. En dat leek me nou een geschikte tekst als een soort van eerste scenario, wat we ook nodig hebben. Opdat we niet vervallen in de gedachte dat je een scenario uiterlijk kunt schrijven. Dat je over mooie beestjes en bloemetjes en boompjes kunt schrijven. Want daar gaat het natuurlijk helemaal niet over. Het gaat om het samenleven van de mensen. En de vraag is, hoe stellen we ons dat in de nabije en ook verre toekomst voor? En wat zouden we kunnen doen ook om die voorstelling tot een werkelijkheid te laten worden? Nou, dus toen ik die vraag kreeg: Weet je niet een tekst die als een soort van eerste scenario zou kunnen gelden?, toen wist ik meteen, dit is die tekst en die zal ik dan nu voorlezen. Hij komt uit een voordrachtenbundel uit de Gesamtausgabe van Rudolf Steiner, nummer 187. En het citaat staat op bladzijde 179, zoals gezegd, een voordracht van 1 januari 1919.
‘Wanneer men zich overgeeft aan gedachten die naar het patroon van de natuurwetenschap bestaan, wanneer men zich daaraan overgeeft, dan kan men niet opgewassen zijn tegen de huidige tijd. Wanneer men alleen maar dat wil ordenen wat hier in de fysieke wereld is, wanneer men alleen maar erover nadenkt wat hier in de fysieke wereld is en niets anders wil laten gelden, dan vernietigt men slechts. En men zou zich dan niet moeten verbazen wanneer de strijd, waarvan men niet de heerschappij wil zoeken in het geestelijke, wanneer die strijd in het fysieke leven binnenspeelt. Want die strijd die slaat als het ware in de mensen binnen. En wanneer de mensen die strijd niet in de ziel willen uitvechten, dan leidt die strijd de een tegen de ander, het ene volk tegen het andere volk, de ene mens tegen de andere mens. Wat hier in de fysieke wereld gebeurt, kan slechts een afbeelding zijn van de geestelijke wereld. En het is zo: ofwel de mens neemt de strijd zo op dat hij die in de eigen ziel uitvecht, dat wil zeggen de mensen verdiepen zich geestelijk, of deze strijd die door het bewustzijn als door een zeef doorgaat, wanneer men alleen maar zo denken wil zoals de tegenwoordige tijd denkt, ofwel die strijd ontlaadt zich doordat hij de mens, de menselijke ziel, uitschakelt in de uiterlijke wereld en dat veroorzaakt al datgene wat u nu juist ziet. U zult wanneer u zoiets bedenkt inzien dat het werkelijk aan de tijd is voor de huidige mensheid om zich te wenden tot de Geest. Dit wordt als een noodzakelijkheid min of meer voorgetekend door de gebeurtenissen in de wereld.’
Dat is meer dan een eeuw geleden, niet veel, maar ongeveer een eeuw geleden. En ik denk dat u het wel met me eens zult zijn dat dat niet verouderd is. Dat het zo is dat we als mensheid nog altijd in die toestand zijn waarin we alle trots en overgave aan het denken zoals de natuurwetenschap dat doet geven, terwijl we het denken aan het geestelijke bestaan dat al het uiterlijke bestaan doortrekt en doordringt verwaarlozen. En wanneer we dan die verschrikkelijke strijd zien, die we op meerdere plaatsen zien, die niet om aan te zien is en waarbij je niet anders kunt dan aan beide zijden staan, waarbij je denkt aan de mensen die daar te lijden hebben, en je moet dan bedenken dat dat samenhangt met het feit dat de mensheid in het zintuigelijk materiële bestaan blijft steken en zich niet opheft tot het besef van het geestelijke bestaan juist in elke mens… Ja, dan kun je niet anders dan iedere keer weer proberen het besef in jezelf en in anderen wakker te roepen dat het echt hoog tijd is dat wij dit stukje scenario, dat we dat verwerkelijken.
Ik krijg de opmerking dat ik nooit lach. Dat doe ik dan dus nu wel. Dat heeft natuurlijk te maken met het feit dat het toch wel vrij ernstig is wat ik zeg. Maar ik heb nu gelachen. En ik hoop met deze vorm van scenario schrijven de volgende keer weer verder te kunnen gaan.



