De Wijzen uit het Oosten

De meeste mensen van de moderne mensheid zullen waarschijnlijk even weinig betekenis aan deze woorden hechten als aan het Opstandingmysterie van de Paastijd. We zouden kunnen zeggen dat zo onwaarschijnlijk als het is dat het moderne denken het centrale mysterie van het christendom in de opstanding uit de dood ziet, het ook zo onwaarschijnlijk is dat het moderne denken, het moderne gevoel, het spirituele feit accepteert dat verbonden is met het Kerstmysterie: het mysterie van het Woord dat vlees wordt, het mysterie van de incarnatie uit de maagdelijke geboorte. Het grootste deel van de moderne mensheid heeft veel meer sympathie voor de natuurwetenschapper die de maagdelijke geboorte omschrijft als “een brutale bespotting van de menselijke rede” dan voor diegenen die dit mysterie serieus willen nemen, in geestelijke zin.

Kerstmis 2017

Eens, heel lang geleden gebeurde er op een frisse dag in een land hier ver vandaan een wonder. Er woonde daar het mooiste en liefste meisje van de hele wereld. Ze was zo mooi dat ze zelfs als ze een heel eenvoudige jurk droeg, eruit zag alsof deze was bestikt met goud en edelstenen. Ze straalde zonder het te weten…

Op die morgen werd ze plotseling opgeschrikt door een heftig geruis. Ze was alleen in huis … en toch klonk er een geruis alsof er wind waaide. Opgeschrikt draaide ze zich om naar het geruis en zag een grootse gestalte voor zich, ze wist dat het een Engel was. Ze rustte en kruiste de armen voor de borst, maar de Engel maakte zich bekend als Gabriel en hij zei geruststellend iets heel moois tegen haar: Dat ze een kindje zou krijgen dat in de winter geboren zou worden en dat zou opgroeien tot een man die de allergrootste onder de mensen was, groter dan er ooit een geboren was of ooit nog geboren zou worden, vol roem en waarheid en goedheid.

Dertien Heilige Nachten

Maar toen kwam de tijd dat er een kind geboren werd, in deze midwintertijd – midwinter voor het betreffende halfrond. Het werd geboren om ons voor altijd en altijd te beschermen, in alle tijd van eenzaamheid van de aarde en de mens, zo lang als zij beiden zullen samen leven. Sindsdien zijn de nachten dertien in aantal geworden, vanaf de avondschemering op 24 december tot aan de volle dag van 6 januari. Zij zijn heilig geworden, want Christus en de aarde zijn in deze dagen en nachten het dichtst bijeen.

Conclusie in het opstel van Rudolf Steiner over de atomistische Begrippen

‘We moeten daarom deze twee begrippen aan een discussie onderwerpen. De mechanische natuurverklaring vereist voor de aanname van de atomaire wereld behalve de in beweging zijnde atomen nog de absolute ruimte, die een leeg vacuüm is, en een absolute tijd, dat is een onveranderlijke maatstaf van het na elkaar. Maar wat is ruimte? Absolute uitbreiding kan het enige antwoord zijn. Maar dit is slechts één aspect van de zintuiglijke objecten en, afgezien daarvan, slechts een abstractie, alleen dan aan en met de objecten en niet in aanvulling erop, zoals het atomisme noodzakelijk moeten aannemen. Als uitbreiding aanwezig moet zijn, moet er iets uitgebreid zijn, en dit kan niet opnieuw de uitbreiding zijn. Men zal hier mogelijk tot bewijs van de absoluutheid van de ruimte de inval van Kant van de beide handschoenen van de linker en de rechter hand kunnen tegenwerpen. Er wordt gezegd dat de delen ervan dezelfde relatie hebben tot elkaar, en toch kan men beide niet tot een dekking brengen. Hieruit concludeert Kant, dat de verhouding tot de absolute ruimte een andere is, deze dus bestaat. Het is echter veel eerder aan te nemen dat de verhouding van de twee handschoenen ten opzichte van elkaar zo is, dat ze niet tot dekking kunnen worden gebracht. Hoe zou een relatie tot absolute ruimte ook moeten worden gedacht? En zelfs aangenomen, dat het mogelijk zou zijn, dan zouden de verhoudingen van de twee handschoenen tot de absolute ruimte toch pas weer zo’n verhouding daarvan tot elkaar funderen. Waarom zou dit niet eveneens een originele verhouding kunnen zijn? De ruimte, afgezien van de dingen van de wereld van de zintuigen, is een onding. Net zoals de ruimte slechts iets aan de objecten is, zo is ook de tijd alleen gegeven aan en met de processen van de wereld van de zintuigen. Ze is daaraan immanent. Op zichzelf zijn beide slechts abstracties. Concrete vormen van de zintuiglijke wereld zijn alleen de zintuiglijke dingen en processen. Zij stellen begrippen en wetmatigheden in de vorm van het uiterlijke bestaan voor. Daarom moeten ze in hun eenvoudigste vorm de peilers vormen voor de empirische natuurleer. De eenvoudige zintuiglijke kwaliteit, en niet het atoom, het fundamentele feit, en niet de achter-empirische beweging, zijn de elementen ervan. Dit geeft haar een richting die de enige is die mogelijk is. Wanneer men daarop steunt, dan zal men niet in de verleiding komen om te spreken van grenzen aan het kennen, omdat men niet met dingen te maken heeft waaraan men willekeurige negatieve eigenschappen zoals bovenzinnelijk en zo toeschrijft, maar met werkelijk gegeven concrete objecten.

Het ware gezicht van het atoom

Het heldere denken van de jonge Rudolf Steiner neemt de relevante gedachten uit het totaal van de gedachten over de atomistische begrippen en vindt (in 1882) dat het atoom gezien wordt als het enige principe van de werkelijkheid. Het ligt ten grondslag aan alle materiële en zintuiglijke kwaliteiten maar heeft die zelf niet. Het is niet ruimtelijk en is niet gedefinieerd, het is alleen maar ‘iets’ en dit iets is de grondslag en essentie van al het zijn. Zodra men het een kenmerk zou willen verlenen zou het deze grondslag niet meer kunnen zijn, omdat het dan deel zou uitmaken van wat het zelf moet bepalen. Het moet dus het kenmerkloze iets zijn. Toch kan het ook niet een begrip zijn, want het moet in de werkelijkheid bestaan. Het atoom moet iets speciaals zijn, maar dan in een algemene zin.

Voortzetting van het artikel over het atomisme van Rudolf Steiner

Men zou daar wel tegenin kunnen brengen dat het toch helemaal onverschillig is wat onder atoom wordt verstaan, men moet de natuurhistoricus rustig daarmee aan het werk laten gaan – want voor veel opgaven van de mathematische fysica zijn immers de atomistische voorstellingen een voordeel – de filosoof weet tenslotte toch dat men niet met een ruimtelijke realiteit te maken heeft, maar met een abstractie zoals bij andere mathematische voorstellingen. Om in dit verband zich tegen de aanname van het atoom te keren zou dan verkeerd zijn. Maar dat is niet het punt. Het gaat de filosoof om dat atomisme, waarvoor atoom en causaliteit de enig mogelijke drijfveren ter wereld zijn, dat ofwel al het niet mechanische ontkent of toch als boven ons kenvermogen uitgaand voor onverklaarbaar houdt. Het is iets anders of men het atoom als slechts een gedachtenpunt aanziet of dat men daarin het grondprincipe van al het bestaan wil zien. Het eerste standpunt gaat nooit verder dan de mechanische natuur, het tweede beschouwt alles als een mechanische functie.’

Enig mogelijke kritiek der atomistische begrippen. Bespreking deel drie

Wanneer we deze zinnen vergelijken met de zinnen uit het latere leven van Rudolf Steiner, zoals die staan in de ‘Anthroposophische Leitsätze, GA 26, dan vinden we de omvorming, de spirituele betekenis van deze vroege zinnen. We zien dan, dat de zintuiglijk waarneembare natuur afbeelding van het goddelijk- geestelijke wezen is, een niet meer levende wereld. Daarin leeft de mens als een wezen dat in zijn intelligentie de levende God-doordrongenheid nog kan hebben. Een beeld ontstaat van een kosmos die helemaal niet meer levend is en leeg van God, waarin echter de met God doordrongen mens leeft, die deze God-doordrongenheid in een levende verhouding met de kosmos kan brengen. Dat is de spiritualisering van de gedachten uit het opstel dat we hier bespreken: Enig mogelijke kritiek der atomistische begrippen, uit 1882. De zintuiglijke objecten zijn vormen, die uiterlijk tot verschijning komen, het is de oorspronkelijke levende goddelijk-geestelijke intelligentie die in de mens er innerlijk is, maar in afgeschaduwde vorm. Michaelisch is dat de gedachten schaduwen gevat worden in de oorspronkelijk levende wijze gevat worden, waardoor deze levendigheid teruggegeven wordt aan de kosmos. Ziet men in het object het wezenlijke, dan is men aan Ahriman vervallen. Ziet men in het begrip het wezenlijke, dan vindt men de aansluiting bij Michael, de gedachtevorst.

Bespreking van het artikel ‘Enig mogelijke kritiek op de atomistische begrippen.’ van Rudolf Steiner uit 1882. Deel twee

In het volgende deel van het artikel ‘Enig mogelijke kritiek op de atomistische begrippen’, van Rudolf Steiner, wordt het principe van kennis gebaseerd op ervaring nog eens duidelijk geformuleerd. In dit artikel van de nog zeer jonge Steiner is de wonderbaarlijk muzikale compositie al aanwezig. Hij preludeert op het eerste thema – dat deze omkering van de positie in het kennen is, stellend dat de zintuiglijke waarneembare objecten een vorm zijn van de in het innerlijk aanwezige begrippen, dat de laatste dus de basis vormen en de eerste een andere vorm daarvan zijn, die wel noodzakelijk zijn – en komt dan tot een herhaling van de preluderende tonen, uitmondend in een eerste grootse uitvoering van het thema, dat de verlossing brengt van het volledige begrip ervan.

De omkering van de positie in het kennen

Wat in dit opstel over de atomistische begrippen wordt aangeduid als een omkering van de verhouding tussen de zintuiglijke waarneming en de begrippen, vinden we in een van de eerste boeken van Rudolf Steiner uitgewerkt terug, en wel in ‘Grundlinien einer Erkenntnistheorie der Goetheschen Weltanschauung…’, GA 2. Ik citeer de betreffende passages. Eerst de passage over het in zichzelf in harmonie zijnde waarheidsweefsel van het denken; dan de relatie van dit denken tot de buitenwereld, de zintuiglijke objecten. In mijn boek Persephone, samengesteld uit voordrachten en oefeningen van het zomerseminar 2015 in het Berner Oberland, heb ik beide zijden uitvoerig besproken en omgezet in een oefenweg om de omkering van de positie in het kennen ook stabiliteit te geven.

Bespreking van het artikel ‘Enig mogelijke kritiek op de atomistische begrippen.’ van Rudolf Steiner uit 1882

Steiner komt dan met de volledige omkering van de verhoudingen. Hij keert terug naar de oorspronkelijke werkelijkheidsbeleving van de begrippen als een wereld van in zichzelf rustende, in zichzelf besloten zijnde, elkaar dragende wetmatigheden en ziet in de zintuiglijke werkelijkheid slechts een andere vorm van het begrip. In mij draag ik het begrip ‘boom’, weliswaar gewekt door de zintuigwaarneming; zie ik opnieuw een boom in de werkelijkheid dan toont dit mij een speciale werkelijkheidsvorm van het algemene begrip.