Conclusie in het opstel van Rudolf Steiner over de atomistische Begrippen

‘We moeten daarom deze twee begrippen aan een discussie onderwerpen. De mechanische natuurverklaring vereist voor de aanname van de atomaire wereld behalve de in beweging zijnde atomen nog de absolute ruimte, die een leeg vacuüm is, en een absolute tijd, dat is een onveranderlijke maatstaf van het na elkaar. Maar wat is ruimte? Absolute uitbreiding kan het enige antwoord zijn. Maar dit is slechts één aspect van de zintuiglijke objecten en, afgezien daarvan, slechts een abstractie, alleen dan aan en met de objecten en niet in aanvulling erop, zoals het atomisme noodzakelijk moeten aannemen. Als uitbreiding aanwezig moet zijn, moet er iets uitgebreid zijn, en dit kan niet opnieuw de uitbreiding zijn. Men zal hier mogelijk tot bewijs van de absoluutheid van de ruimte de inval van Kant van de beide handschoenen van de linker en de rechter hand kunnen tegenwerpen. Er wordt gezegd dat de delen ervan dezelfde relatie hebben tot elkaar, en toch kan men beide niet tot een dekking brengen. Hieruit concludeert Kant, dat de verhouding tot de absolute ruimte een andere is, deze dus bestaat. Het is echter veel eerder aan te nemen dat de verhouding van de twee handschoenen ten opzichte van elkaar zo is, dat ze niet tot dekking kunnen worden gebracht. Hoe zou een relatie tot absolute ruimte ook moeten worden gedacht? En zelfs aangenomen, dat het mogelijk zou zijn, dan zouden de verhoudingen van de twee handschoenen tot de absolute ruimte toch pas weer zo’n verhouding daarvan tot elkaar funderen. Waarom zou dit niet eveneens een originele verhouding kunnen zijn? De ruimte, afgezien van de dingen van de wereld van de zintuigen, is een onding. Net zoals de ruimte slechts iets aan de objecten is, zo is ook de tijd alleen gegeven aan en met de processen van de wereld van de zintuigen. Ze is daaraan immanent. Op zichzelf zijn beide slechts abstracties. Concrete vormen van de zintuiglijke wereld zijn alleen de zintuiglijke dingen en processen. Zij stellen begrippen en wetmatigheden in de vorm van het uiterlijke bestaan voor. Daarom moeten ze in hun eenvoudigste vorm de peilers vormen voor de empirische natuurleer. De eenvoudige zintuiglijke kwaliteit, en niet het atoom, het fundamentele feit, en niet de achter-empirische beweging, zijn de elementen ervan. Dit geeft haar een richting die de enige is die mogelijk is. Wanneer men daarop steunt, dan zal men niet in de verleiding komen om te spreken van grenzen aan het kennen, omdat men niet met dingen te maken heeft waaraan men willekeurige negatieve eigenschappen zoals bovenzinnelijk en zo toeschrijft, maar met werkelijk gegeven concrete objecten.

Uit deze aanduidingen zullen ook belangrijke conclusies voor de kennis theorie voortvloeien. Maar bovenal is duidelijk dat het atoom en de achter-empirische beweging moeten worden vervangen door de zintuiglijke grondelementen van de uiterlijke ervaring en voortaan niet langer als principes van de natuurleer kunnen gelden.’

Blog188
Immanuel Kant, 1724 – 1804Conclusie in het opstel van Rudolf Steiner over de atomistische Begrippen door Mieke Mosmuller

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wie is Mieke Mosmuller?

Mieke Mosmuller is arts, schrijfster en filosofe. Zij schrijft over actualiteiten die raken aan haar filosofisch-spirituele ontwikkelingsweg die zij startte in 1983…

Recente artikelen

Ik heb vorige keer gezegd, alles blijft altijd hetzelfde. Het is natuurlijk duidelijk dat dat niet over de inhoud gaat, want inhoudelijk zijn er natuurlijk...
Ja, in onze tijd wordt opnieuw zo duidelijk hoezeer de wereld de antroposofie nodig heeft als cultuurfactor. Natuurlijk kan men zeggen: ja, de antroposofie is...
Ja, na enige tijd heb ik dan weer de moed gevat om hier te gaan zitten en het een en ander onder woorden te brengen....

Volg Mieke Mosmuller

Meest recente video

Wanneer uit de wereldwijdten
De zon spreekt tot de mensenzin
En vreugde uit de zielendiepten
Met het licht zich verenigt in het schouwen,
Dan trekken uit de omhullingen van het zelf
Gedachten in de ruimteverten
En verbinden dof
Het mensenwezen met het zijn van de geest

Wenn aus den Weltenweiten
Die Sonne spricht zum Menschensinn
Und Freude aus den Seelentiefen
Dem Licht sich eint im Schauen,
Dann ziehen aus der Selbstheit Hülle
Gedanken in die Raumesfernen
Und binden dumpf
Des Menschen Wesen an des Geistes Sein.

Volgende seminar

30.03.2026 – 01.04.2026
In der Woche vor Ostern besuchen wir unter der Leitung von Mieke Mosmuller die Kathedrale von Chartres.