Als we de antroposofie willen leren kennen, dan hebben we een andere manier van studeren nodig dan wat we in de gewone wetenschap doen. Want antroposofie heeft natuurlijk werkelijk met ons mensen te maken, ook met de rest van de wereld. Maar de mens is een brandpunt, zou men kunnen zeggen. En dat betekent dat, wanneer we bepaalde kennis, inzichten opnemen, het niet voldoende is als we ze alleen maar weten.
De vorige keer heb ik gesproken over de vierledige wezenheid van de mens. En ik heb geprobeerd dat zo te doen dat het dan ook mogelijk wordt om deze ervaringen na te volgen. Dat men dus niet alleen leest: ah, er zijn dus vier wezensdelen, fysiek lichaam, etherlichaam, astraallichaam, ik. En dan moet men het weten. Dan kan men er nog iets meer van weten, maar alles blijft weten.
Dat zou bij de studie van de antroposofie eigenlijk niet moeten gebeuren. Men moet natuurlijk bepaalde feiten opnemen als feiten. Maar ze zouden dat niet moeten blijven. Men moet ze op zichzelf betrekken. Wat men in het gewone leven als een slechte eigenschap beschouwt, de zelfgerichtheid, die moet juist bij de studie van de antroposofie intensief worden beoefend. Dat kan niet bij alles wat men daar opneemt. Maar bij veel kan het wel, dat men werkelijk probeert datgene wat men dan weet, dat men daarmee niet tevreden is en probeert dat ook werkelijk in zichzelf terug te vinden of het in het leven terug te vinden, zodat men het kan bevestigen. Dat men dus geen gelovige wordt, geen gelovige antroposofe en ook geen wetende, maar dat men een zekere zelfkennis beoefent en daardoor dan antroposoof is.
Rudolf Steiner heeft een boek geschreven, dat heet Theosophie, en ja, dat is een boek dat, denk ik – hoe zal ik het zeggen – dat boek is, dat het meest bevredigend kan zijn in het leven, omdat het die raadsels raakt die levensraadsels zijn. Maar hij heeft het zo geschreven dat men werkelijk moet denken. Het is niet eenvoudig geschreven, het is zo geschreven dat men zich moet inspannen en men zou kunnen denken dat het daarmee genoeg is, dat wanneer men zich heeft ingespannen en misschien ook het geheugen erbij heeft betrokken, dus de dingen als het ware uit het hoofd heeft geleerd, dat men dan heeft gedaan wat gedaan moet worden. Dat is niet zo, en ik hoop dat ik dat in deze video’s kan laten zien, dat antroposofie geen wetenschap is. Het is ook geen antropologie.
Het is een antroposofie, en wijsheid heeft men eigenlijk pas dan wanneer men het met het leven in overeenstemming brengt. Dat wilde ik als eerste zeggen, want ja, men moet natuurlijk ook feiten brengen, bepaalde inzichten die antroposofisch zijn, maar het zou eigenlijk nooit moeten gebeuren dat men zichzelf daarbij vergeet. Ik ben zelf de mens en het gaat over mij, niet zozeer over mijn persoon, maar over dat deel in mij dat werkelijk mens is, en in die zin mag ik alles op mijzelf betrekken, onderzoeken: waar zit datgene wat nu besproken wordt? Kan ik ervaren dat het zo is?
Rudolf Steiner begint zijn Theosophie als volgt:
De volgende woorden van Goethe duiden op een mooie manier het uitgangspunt aan van een van de wegen waarop het wezen van de mens herkend kan worden.
En dan komen de woorden van Goethe: Zodra de mens de objecten om zich heen gewaarwordt, beschouwt hij ze in relatie tot zichzelf, en terecht, want zijn hele lot hangt ervan af of ze hem bevallen of niet bevallen, of ze hem aantrekken of afstoten, of ze hem nuttig zijn of schaden. Deze geheel natuurlijke manier om de dingen te bekijken en te beoordelen lijkt zo gemakkelijk als zij noodzakelijk is. En toch is de mens daarbij aan duizend dwalingen blootgesteld, die hem vaak beschamen en hem het leven bitter maken. Hier wordt dus een wezenlijke activiteit van de mens aangeduid, namelijk dat men met zijn zintuigen naar de omgeving kijkt en dat men bij datgene wat men daar waarneemt, ook allerlei ervaringen heeft. Dus enerzijds iets objectiefs, de zintuiglijke waarneming, maar anderzijds wordt dit onmiddellijk ook subjectief doordat ik allerlei ervaar, wat juist of ook onjuist kan zijn, wat aangenaam kan zijn of onaangenaam, wat mij aantrekt of afstoot – dat heeft allemaal met mij te maken. Dat is het ene. Of eigenlijk twee dingen: men heeft zijn zintuiglijke activiteit en men heeft zijn gewaarwordingen.
Dan komt het derde:
Een veel zwaardere dagtaak nemen degenen op zich, wier levendige drang naar kennis ernaar streeft de objecten van de natuur op zichzelf en in hun onderlinge verhoudingen te observeren. Want zij missen al snel de maatstaf die hen te hulp kwam wanneer zij als mensen de dingen in relatie tot zichzelf beschouwden. Het ontbreekt hen aan de maatstaf van bevallen en niet bevallen, van aantrekken en afstoten, van nut en schade. Hieraan moeten zij volledig verzaken; zij moeten als onverschillige en als het ware goddelijke wezens zoeken en onderzoeken wat is, en niet wat behaagt. Zo mag de ware botanicus zich noch door de schoonheid noch door de bruikbaarheid van planten laten raken. Hij moet hun vorming, hun relatie tot het overige plantenrijk onderzoeken. En zoals zij allen door de zon tevoorschijn worden gelokt en bepaald, zo moet hij met eenzelfde rustige blik hen allen beschouwen en opnemen en de maatstaf voor deze kennis, de gegevens voor de beoordeling, niet uit zichzelf halen, maar uit de kring van de dingen die hij observeert.
Hier wordt dan het menselijk vermogen tot kennis beschreven. Dus enerzijds de zintuiglijke waarneming en de ervaring die men met de zintuiglijke waarneming heeft. En anderzijds de zintuiglijke waarneming en de bovenpersoonlijke kennis, daar waar de mens zich volledig losmaakt van zijn gevoelens, van zijn ervaringen – die mogen niet meetellen, alleen de feiten tellen. En Goethe zegt dat de mens dan als het ware een goddelijk wezen is, boven het persoonlijke verheven. Dan heeft men dus het derde vermogen van de mens.
En dat kunnen wij toch in onszelf terugvinden, hoewel misschien het laatste vermogen in onze tijd het minst wordt beoefend. Ik geloof niet dat veel mensen in het gewone leven ertoe komen deze bovenpersoonlijke kennisactiviteit uit te oefenen. Wetenschappers moeten het wel en studenten ook, maar werkelijk als een soort verlangen naar bovenpersoonlijke activiteit in het kennend vermogen binnengaan – ja, dat is, denk ik, toch niet zo gebruikelijk. Maar wij hebben deze drie vermogens: De zintuiglijke waarneming. Datgene wat wij waarnemen op onszelf betrekken, doordat wij gevoelens en gewaarwordingen hebben. En dan als derde dit bovenpersoonlijke kennend vermogen, waarbij men zich juist van alle gevoelens, alle sympathie, antipathie, aantrekking enzovoort onthoudt, en juist daardoor tot kennis komt.
Deze drie vermogens neemt Rudolf Steiner dan om ons erop te wijzen dat de mens ook een drieledig wezen is. De zintuiglijke waarneming komt volledig tot stand door het fysieke lichaam. Doordat wij een fysiek lichaam hebben, hebben wij zintuigen en hebben wij deze zintuiglijke waarneming. Datgene wat wij doen, zodat deze feiten met ons in relatie staan, dat is de ziel. De ziel heeft de eigenschap dat zij alles op zichzelf betrekt. En de geest verheft zich boven het zielsleven – ik bedoel, dat is niet juist gezegd – verheft zich daarboven. Doordat hij in het kennen afstand doet van alle beleving, van persoonlijke beleving. En zo hebben wij dan deze drieledige menselijke wezenheid, die wij kunnen begrijpen als fysiek lichaam, ziel en geest. Lichaam, ziel en geest.
En als wij het zo uiteengezet krijgen, dan is het toch eigenlijk onmiddellijk duidelijk dat hier een waarheid wordt uitgesproken, namelijk dat de mens drieledig is, namelijk … … lichaam – zintuigen, ziel – beleving, en geest – kennis.
En als dit meer moet worden dan alleen een weten, dan zouden we in de komende weken er eigenlijk mee moeten willen leven, zodat we ons dagelijks eens afvragen: oh ja, mijn zintuigen zijn lichaam, mijn beleving is ziel, mijn kennen is geest. Dit zijn natuurlijk geen uitvindingen van Rudolf Steiner. Men ziet al dat Goethe deze drie vermogens duidelijk in zijn woorden heeft uitgedrukt. Waarom? Omdat het zo is. Men hoeft niet te zeggen: ja, dat geloof ik niet, of: ja, dat geloof ik wel – dat hoeft men ook niet te zeggen, want men weet toch dat het zo is.
Dan komt natuurlijk de natuurwetenschap, de hedendaagse wetenschap, en zegt – zoals ik de vorige keer ook al heb gezegd – ja, maar ziel en geest, dat zijn uitwasemingen van het lichaam. Dat zijn geen op zichzelf staande entiteiten.
Dat kan men voorlopig laten staan. En in de loop van onze onderzoeken zal het wel duidelijk worden dat dit geen stand kan houden. Dat het toch zo is dat wij uiteindelijk in onszelf de mogelijkheid verkrijgen om vast te stellen: er is geest, er is ziel. En het lichaam – ja, dat wisten we al, dat er een lichaam is.
De vorige keer hebben we geleerd – doordat we het fenomeen van de dood hebben bekeken – dat het lichaam bij de dood niet meer het lichaam is zoals we het tijdens het leven kenden. Dat er wezensdelen zijn die dan verdwijnen. En dat voor het sterven het weggaan van het levenslichaam van betekenis is.
Nu leren we aan het begin van de Theosofie dat wij als mens drie grote activiteiten uitoefenen, waarvan wij allemaal weten dat wij ze uitoefenen.
Alleen worden we ons er nu bewust van dat wij deze activiteiten kunnen ordenen, dat we kunnen zeggen: zintuiglijke waarneming – lichaam, gewaarwording en beleving – ziel, kennis – geest.
En als dit tot ons doordringt, zodat wij dit ook werkelijk in onszelf kunnen beleven, dan wordt het ook gemakkelijker om moeilijke teksten te begrijpen, omdat we min of meer al vóór het lezen de inzichten hebben en we ze dan in de tekst herkennen.
Zo zou men zich kunnen voorstellen dat men zich hier werkelijk in heeft verdiept: ik ben een mens, ik heb een lichaam, een ziel en een geest. En als men dan de tekst van Goethe zou lezen, zou men zeggen: ja, dat zegt hij eigenlijk ook. Hij gebruikt weliswaar niet de woorden lichaam, ziel en geest, maar hij bespreekt deze drie delen.
En zo is er de vriend van Goethe, die de dingen op een heel andere manier uitdrukt dan Goethe dat deed, die – ja, men kan zeggen – moeilijke teksten heeft geschreven. Men kan ook zeggen: zodra men eenmaal begrijpt wat hij eigenlijk begrijpelijk wil maken, dan zijn deze teksten helemaal niet meer moeilijk. En tot slot wil ik daar graag een voorbeeld van geven. Hierin kan men ervaren hoe groot het verschil is tussen Goethe en Schiller, de twee hartsvrienden. Maar tegelijkertijd kan men ook ontdekken hoe duidelijk een moeilijke tekst wordt wanneer men de basisprincipes van het bestaan begrijpt.
Dus, tot slot, een gedeelte uit de 13e brief van Schiller over de esthetische opvoeding van de mens:
Aangezien de wereld een zich in de tijd uitstrekkende verandering is, zal de volmaaktheid van het vermogen dat de mens met de wereld verbindt, de grootst mogelijke veranderlijkheid en extensiteit moeten zijn.
Dat is het ene. Wij leven met onze zintuiglijke waarneming in de tijd en ervaren een voortdurende verandering.
Aangezien de persoon het bestendige in de verandering is, zal de volmaaktheid van het vermogen dat zich tegen de wisseling moet verzetten, de grootst mogelijke zelfstandigheid en intensiteit moeten zijn.
Dus, eerst de grootst mogelijke veranderlijkheid en extensiteit, nu de grootst mogelijke zelfstandigheid en intensiteit.
Onder persoon verstaat Schiller hier de innerlijke wezenlijkheid, niet persoon in de zin van ego, maar persoon in de zin van geest, zou men kunnen zeggen.
Hoe veelzijdiger de ontvankelijkheid zich ontwikkelt, hoe beweeglijker deze is en hoe meer oppervlakte zij aan de verschijnselen biedt, des te meer wereld grijpt de mens, des te meer vermogens ontwikkelt hij in zichzelf. Hoe meer kracht en diepte de persoonlijkheid heeft, hoe meer vrijheid de rede wint, des te meer wereld begrijpt de mens, des te meer vorm schept hij buiten zichzelf.
Dus, enerzijds deze grootst mogelijke veranderlijkheid en extensiteit, waardoor de mens de wereld volledig in zich opneemt, en anderzijds de persoon, die de grootst mogelijke zelfstandigheid moet verwerven om binnen deze verandering stand te houden en toch vrijheid te hebben, om de rede in te zetten en vervolgens de wereld buiten zichzelf te begrijpen.
Zijn cultuur zal er dus in bestaan, ten eerste het ontvangende vermogen in de meest uiteenlopende aanrakingen met de wereld te brengen en aan de kant van het gevoel de passiviteit tot het hoogste te drijven.
Dus, als mens niet thuis blijven zitten, maar de wereld in trekken en zoveel mogelijk van de wereld in zich opnemen. Dit is natuurlijk niet alleen uiterlijk, maar heeft ook betrekking op bijvoorbeeld wat men opneemt van wereldpolitiek, en zo verder. Dit alles is wereld.
Ten tweede het bepalende vermogen de hoogste onafhankelijkheid van het ontvangende vermogen te laten verwerven en aan de kant van de rede de activiteit tot het hoogste te drijven.
Dus men gaat de wereld in en neemt alles in zich op in veranderlijkheid, en blijft in zijn voelen passief in de opname. Maar daartegenover staat de persoon, en die doet precies het tegenovergestelde: hij blijft standvastig in zijn zelfstandige vrijheid en spoort zichzelf aan tot de hoogste activiteit.
Waar beide eigenschappen samenkomen, daar zal de mens met de hoogste volheid van het bestaan de hoogste zelfstandigheid en vrijheid verbinden, en in plaats van zich aan de wereld te verliezen, zal hij deze met de volledige oneindigheid van haar verschijnselen in zich trekken en onderwerpen aan de eenheid van zijn rede.
Als men hier niet door wordt geïnspireerd, dan weet ik het niet meer. Want dit is toch werkelijk een grootse beschrijving van de menselijke wezenheid. Enerzijds—men kan het toch voelen? — gaat men de wereld in en neemt men overal passief alles in zich op. En anderzijds, om zichzelf niet te verliezen, heeft de mens zijn persoon. Zijn geest, die altijd rustig in zichzelf zelfstandig en vrij standhoudt, maar de capaciteit van de geest tot de hoogste activiteit drijft – dus daar niet passief blijft, maar voortdurend met de rede alles probeert te begrijpen. Ja, dit vervult mij met vreugde, omdat men daarbij voelt: dit is de mens.
En Rudolf Steiner beschrijft aan de hand van Goethe het lichaam, de ziel en de geest. Hier vinden we bij Schiller ook het lichaam – dat is de eeuwige veranderlijkheid; de ziel – het voelen; en de geest – het eeuwige, rustende, redelijke idee dat tot zelfstandigheid en vrijheid leidt.
Zo zou ik heel graag verder willen gaan.



