Ik heb de vorige keer gesproken over de inwijding en over de zelfopvoeding. En ik heb daarbij gezegd dat in de oudheid de leerlingen werden uitverkoren en dat in de huidige tijd de mens zichzelf uitkiest. Nu is het zo dat ik mijn video’s doorgaans beperk tot ongeveer twintig minuten, omdat ik dit medium niet echt geschikt vind voor langere uiteenzettingen. Het nadeel is echter dat je dan altijd maar heel weinig kunt zeggen en dat wat je zegt daardoor al snel iets extreems krijgt.
Want eigenlijk hoort er bij de uitspraak dat de mens zichzelf uitkiest nog iets wezenlijks bij. Namelijk dat een mens er überhaupt alleen maar toe komt zichzelf uit te kiezen, omdat zijn voorgeschiedenis hem daarheen heeft geleid. Het is immers niet zo dat een mens zomaar uit het niets plotseling besluit ingewijde te willen worden. Dat heeft altijd een verleden. En zelfs wanneer iemand zichzelf overschat, dan liggen er ook dan in het verleden impulsen die in het heden werkzaam worden. Ook dat is een vorm van uitverkoren-zijn. Alleen komt dit uitverkoren-zijn niet van buitenaf, maar van binnenuit – waarbij dit innerlijke natuurlijk op zijn beurt meer of minder door het uiterlijke is gevormd. Dat alles zou men eigenlijk heel uitvoerig moeten doordenken en ook bespreken. Dat heb ik de vorige keer natuurlijk niet gedaan. Ik heb eenvoudig gezegd: men kiest zichzelf uit. En dat had eigenlijk nog aangevuld moeten worden.
Het is bovendien zo: men kan zichzelf heel ernstig uitkiezen, men kan met meditatie beginnen – en dan lukt het bijvoorbeeld niet. Ook dat heeft weer met het verleden te maken: met wat deze mens in eerdere tijden al gedaan heeft. Dat weet men meestal niet, meestal weet men het helemaal niet. Maar het laat zich zien in wat zich tijdens de meditatie voordoet. Men kan zeggen: men heeft daar eigenlijk helemaal niets over te zeggen, of men in de geestelijke wereld binnenkomt. Of men daar wordt toegelaten, hangt van veel af – en het minst van wat de mens zelf wil. Ook dat moest nog gezegd worden.
Wanneer we nu naar de zelfopvoeding kijken en wanneer ik zeg dat men moet leren zijn morele zwakheden te bekijken, dan bedoel ik daarmee niet dat men eenvoudigweg de gebeurtenissen van de dag of van het jaar doorneemt. Het gaat niet om die afzonderlijke gebeurtenissen, maar erom dat men probeert achter de gebeurtenissen te kijken en te herkennen waarin de morele zwakte eigenlijk ligt.
Want het gaat niet om de alledaagse details, maar om wat de mens in wezen is, en om de vraag in hoeverre het geweten erop wijst dat er nog bepaalde tekortkomingen zijn. Wanneer men bijvoorbeeld ’s avonds terugkijkt en vaststelt dat men alweer zijn administratie niet heeft gedaan, hoewel men zich dat al dagen of weken voorneemt – men zegt steeds weer tegen zichzelf: ik moet dat doen – en men doet het niet, men doet het niet, men doet het niet. Is dat op zichzelf een morele zwakte? Zo eenvoudig kan men dat eigenlijk niet zeggen. Maar datgene wat daaronder ligt en ertoe leidt dat men het niet doet, dat is iets anders. En precies dát is wat men zou moeten bekijken.
Men zou nu kunnen zeggen: ja, dan moet ik gaan fantaseren, want ik weet eigenlijk helemaal niet waarom ik het niet doe. Maar dat geloof ik niet. Ik denk dat iedere mens heel goed weet – als hij of zij maar nauwkeurig kijkt – welke zwakte daaronder ligt. Men kan veel opsommen, maar uiteindelijk kan iedere mens dat voor zichzelf herkennen en weten wat het eigenlijk is, waarom het nalaten van een daad uit een morele zwakte voortkomt.
Wanneer men daarin vooruitgang boekt – en die vooruitgang bestaat erin dat men steeds nauwkeuriger leert zien waarin die morele zwakheden liggen – dan komt er een moment waarop men iets nieuws kan doen en ook moet doen. Dan is het niet meer voldoende om bij het loutere kijken te blijven staan en misschien hier of daar iets te verbeteren. Dan begint men zich af te vragen: hoe is het eigenlijk mogelijk dat ik twee mensen ben?
Ik ben de mens die ik bekijk. De zwakke mens, die zo veel te verbeteren heeft. Maar tegelijkertijd ben ik kennelijk ook de mens die weet dat het zwakheden zijn, die weet welke zwakheden het zijn, en die ook kan weten hoe ze verbeterd kunnen worden. Voor mij is dat eigenlijk het beste bewijs dat de mens niet alleen maar die mens is die in het lichaam rondloopt, maar dat er nog een andere mens is die het niet eens is met wat de eerste mens doet – althans niet altijd.
Vaak is deze tweede mens zelfs de scherpste criticus. En ik weet: ook deze tweede mens ben ik zelf. Maar het is niet hetzelfde zelf dat ik bekijk en waaraan ik al deze zwakheden vaststel. Dat is toch een duidelijke aanwijzing dat ik ook een mens ben die in de morele wereld thuis is. Want anders zou ik dit alles niet kunnen herkennen, en ik zou ook niet weten hoe ik een meer moreel mens zou kunnen worden.
Dat is dus de volgende stap op de weg naar de inwijding: dat men bij de oefeningen van de zelfopvoeding niet bij het loutere kijken blijft staan, maar dat men leert zich als het ware om te wenden en zich bewust te worden van die andere wezenheid, die dit alles weet en ook kan.
Nu is het interessant dat de idealistische filosoof Fichte dit precies zo heeft beschreven. Rudolf Steiner sluit daar in zijn voordrachten bij aan en laat zien hoe ongelooflijk duidelijk bij Fichte het Ik verschijnt. Fichte vindt niet alleen het gewone zelf, maar ook dat zelf dat tot ontwikkeling in staat is. Dit zelf is de toeschouwer. Hij gaat met ons mee, hij is er altijd bij. Wij weten het alleen niet, omdat wij ons bewustzijn niet uitbreiden tot dat zelf dat in het geweten thuis is.
Het is een buitengewoon belangrijke stap op de weg van de zelfontwikkeling dat men niet alleen zijn zwakheden bekijkt en probeert ze door het kijken te overwinnen, maar dat men terugkijkt naar degene die dit alles ogenschijnlijk weet en ook kan doen. Dat is een handelend wezen, een werkzaam wezen. Het kijkt toe – en tegelijk is het het wezen dat in staat is datgene wat het bekijkt om te vormen tot vermogens.
Wanneer we aan de Waldorfpedagogie denken, dan is er daar die merkwaardige verschijning dat bepaalde leerinhouden niet onafgebroken achter elkaar worden overgedragen, maar dat er steeds weer pauzes worden ingelast. Waarom? Omdat deze pauzes er juist voor zijn dat wat geleerd is – of het nu feiten zijn of vaardigheden – zich door de werkzaamheid van de toeschouwer, van deze tweede mens, die bij het kind vanzelfsprekend ook aanwezig is, kan omvormen. Zo kunnen deze leerinhouden zich omvormen tot blijvende vermogens.
En in die zin kunnen wij ook later nog zijn als de kinderen. Wij kunnen van alles leren, wij kunnen leren onze morele zwakheden te bekijken. Maar uiteindelijk gaat het erom dat deze hogere mens wordt herkend en dat wij leren kijken vanuit deze herkenning. In deze hogere mens leeft de geestelijke wereld.




3 Reacties
Hoe dit vorm te geven in een oefening? Ik denk aan de terugblik in Wie erlangt Mann…
daarin gaat het over deze hogere mens.
Er wordt gesproken over dat je kijkt naar voorvallen (sávonds?)die al langer geleden zijn gebeurt omdat recente gebeurtenissen overrompelend kunnen zijn.
Maar dat je je omkeert en je bewust wordt van die tweede mens vindt ik daarin niet …..misschien lees ik er over heen?
is daar wat over te zeggen?
NB worden de commentaren op deze site gelezen?
Beste Kees, ik kijk hier inderdaad nooit meer, ik zal het weer gaan doen. Deze fase van de toeschouwer is de derde trap tijdens de meditatie. Ik geloof niet dat dat in Wie erlangt man beschreven is, het komt later, bijvoorbeeld in de opstellen in GA 35, daar wordt dit ook het bewustzijnswezen genoemd. In de Bologna Vortrag in deze bundel staat de meditatie uitvoerig beschreven, ook deze derde trap. Maar in de beschrijving van Fichtes Tathandlung, door Rudolf Steiner, vind je deze toeschouwer eveneens. Hartelijke groet, Mieke
Dank voor de aanwijzing!
Hartelijke groet.