Leef ik me met mijn ziel in in voorstellingen die aan de hand van de zintuiglijke wereld zijn gevormd, dan ben ik in een direct beleven slechts in staat van de werkelijkheid van het beleefde zo lang te spreken als ik zintuiglijk waarnemend tegenover een ding of proces sta. Het zintuig garandeert me de waarheid van het waargenomene zo lang als ik waarneem. Dat is niet zo wanneer ik mij door ideëel geestelijke kennis met wezens of processen van de geestelijke wereld verbind. Daar treedt in de afzonderlijke aanschouwing de directe ervaring van datgene wat boven de duur van de aanschouwing uitgaat. Beleeft men bijvoorbeeld het ik van de mens als diens meest oereigene innerlijke wezen, dan weet men in het aanschouwende beleven dat dit ik voor het leven in het fysieke lichaam er was en erna zijn zal. Wat men zo in het ik beleeft openbaart dit direct zoals de roos haar roodheid in het directe waarnemen openbaart.
In een zulke innerlijke geestelijke levensnoodzaak geoefende meditatie ontwikkelt zich steeds meer het bewustzijn van een innerlijke geestelijke mens die in volledige losmaking van het fysieke organisme in het geestelijke leven waarnemen en zich bewegen kan. Deze in zichzelf zelfstandige geestelijke mens trad in mijn ervaring onder de invloed van meditatie. Het beleven van het geestelijke krijgt daardoor een wezenlijke verdieping. Dat de zintuiglijke kennis door het organisme ontstaat, daarvan kan de voor deze kennis mogelijke zelfbeschouwing voldoende getuigenis afleggen. Maar ook de ideëel geestelijke kennis is van het organisme nog afhankelijk. De zelfbeschouwing toont het volgende: voor de zintuiglijke waarneming is de afzonderlijke daad van kennis gebonden aan het organisme. Voor de ideëel geestelijke kennis is de afzonderlijke daad geheel onafhankelijk van het fysieke organisme; dat echter zulk een kennis door de mens kan worden ontplooid hangt ervan af dat in het algemeen het leven in het organisme aanwezig is. Bij de derde vorm van kennis is het zo dat die slechts dan door de geestelijke mens tot stand kan komen wanneer hij zich van het fysieke organisme zo vrijmaakt alsof dit helemaal niet aanwezig was.
Rudolf Steiner, GA 28, MeinLebensgang, p. 325 e.v.

Lichaamsvrij kennen door Mieke Mosmuller



