De voorouders van de persoon

Laten we verdergaan met karma en reïncarnatie zoals Rudolf Steiner dat voor ons begrijpelijk heeft gemaakt in zijn boek Theosofie.
Het bijzondere daaraan is dat hij steeds geprobeerd heeft duidelijk te maken dat het geestelijke werkelijk met het denken gevolgd kan worden, dat men dat kan begrijpen, dat men daarvoor niet helderziend hoeft te zijn, maar dat de – zoals hij het soms noemt – gezonde mensenverstand daarvoor aanwezig is en ook geestelijk genoeg is om een door een helderziende geschouwde geesteswetenschap te begrijpen.
En hij geeft eigenlijk in het boek Theosofie, en als voorbeeld in het hoofdstuk over reïncarnatie en karma, daarvan getuigt hij, dat het zo is. Wat men eigenlijk opmerkt, als men heel geconcentreerd en nauwkeurig leest wat hij geschreven heeft, dan merkt men dat het denken zich naar een ander niveau verschuift.
Hoewel het het verstandelijke denken blijft, wordt het toch stilletjes iets anders. En wanneer deze verschuiving niet plaatsvindt, ja, dan leest men zo – dan kan men het ook, zoals men zegt, diagonaal lezen – zo: één, twee, drie, hopp – dan leest men het oppervlakkig, en is datgene wat Rudolf Steiner schrijft niet als bewijs te nemen voor de werkelijkheid van reïncarnatie en karma. Maar als men deze lichte verschuiving meemaakt, dan wordt het in de loop van de tekst duidelijk – het lijkt werkelijk daardoorheen te schijnen – deze geestelijke werkelijkheid; het wordt duidelijk dat hier, door deze woorden, door deze begrippen, door deze gedachtegang bewezen wordt, dat de mens een reïncarnerend wezen is. En ik heb in de vorige twee video’s over dit thema eerst het begin beschreven, dat Rudolf Steiner als een soort vraag stelt, of het niet mogelijk zou kunnen zijn dat ook de wereld een geheugen heeft. Dat het dus niet alleen de mensen zijn die zich allerlei dingen kunnen herinneren, maar dat ook de wereld, die we door onze daden veranderen, dat deze wereld een geheugen heeft. En dat op een bepaald moment de feiten weer tevoorschijn komen en in evenwicht gebracht moeten worden. Dat is een vraag; hij beantwoordt die niet direct met ‘ja’, maar het is een wonderbaarlijk idee. En men voelt, als men dat zo leest zoals ik het bedoelde, dan voelt men dat men een ander denken betreedt, als men zo’n vraag als een mogelijkheid wil beschouwen. Want dan heeft men niet meer alleen datgene wat ons bekend is – ons eigen geheugenvermogen – maar dan stelt men zich voor, dat in de wereld, die voor ons toch meer of minder geestloos, ziel-loos is, dat in de wereld toch zoiets zou kunnen zijn als iets ziellijks, als iets geestelijks, dat zich onze daden zou kunnen herinneren. Men hoeft dat dan nog helemaal niet te geloven, maar de voorstelling alleen al brengt in een andere denkniveau.
En in het tweede gedeelte heeft Rudolf Steiner dan het geheugen nader beschreven, dat het geen kaartenbak is, maar dat het iets is waarbij men telkens, wanneer men een gebeurtenis in de herinnering zoekt, de voorstellingen opnieuw vormt. En dan beschrijft hij daarna, dat datgene wat wij in het leven denken, voelen en doen, dat dat er vooral toe dient, dat wij al deze details omvormen tot vermogens. En deze vermogens worden door de ziel – die een bemiddelaar is tussen het fysieke en het geestelijke – de ziel, die voegt deze vermogens aan de geest toe. En de geest verzamelt deze vermogens voor het na-doodse en voor een nieuwe incarnatie.  Daar heeft men misschien al iets meer moeite mee, omdat daar iets als een waarheid wordt neergezet, die men niet op de gebruikelijke wijze door onderzoek kan bewijzen. Men moet daar de geestonderzoeker, de geesteswetenschapper eigenlijk vertrouwen, en men moet met hem meegaan in zijn gedachtegang. Maar wanneer men dat doet en niet onmiddellijk allerlei tegenwerpt of diagonaal leest, te snel, als men werkelijk geconcentreerd meedenkt, dan krijgt men een bepaald gevoel. En dit gevoel is een eerste bewijs voor het bestaan van het geestelijke in het denken. En dan gaat de gedachtegang verder, en dan wordt het werkelijk zeer interessant, en eigenlijk zou men daar ook veel vreugde aan kunnen beleven – om het denken zo te vormen dat het met deze gedachtegang kan meegaan.
Want dan zegt Rudolf Steiner dat de mens, de mensheid, het wezen mens – dat dat iets algemeens is, en dat alle mensen in deze zin tot hetzelfde geslacht behoren, namelijk: mens. En de gestalte van de mens – die wordt gereproduceerd door de erfelijke voortplanting. Dus de fysieke gestalte, de fysieke menselijke vorm komt steeds weer opnieuw tot stand doordat de mensen zich voortplanten. Dus men weet: de menselijke gestalte ontstaat niet plotseling uit zichzelf, maar die heeft – om te ontstaan – vader en moeder nodig. En deze vader en deze moeder hadden ook weer vader en moeder nodig, enzovoort. Dat is natuurlijk vanzelfsprekend, maar toch goed om dat nog eens heel precies te overdenken. En dan zegt Rudolf Steiner: dat is niet het enige waardoor een mens mens is. Want mensen verschillen onderling veel sterker dan dat in andere geslachten het geval is. Wanneer men een diersoort bekijkt, dan ziet men natuurlijk wel verschillen door erfelijke aanleg, maar deze verschillen worden nooit zo enorm groot als men dat bij mensen ziet. Ook wanneer broers en zussen worden vergeleken, die in dezelfde omstandigheden zijn geboren, van dezelfde voorouders afkomstig zijn, dan ziet men al grote verschillen. Dat zou men met de wetten van Mendel nog enigszins kunnen verklaren en met DNA. Maar wat men niet kan verklaren, dat is de biografie. Deze biografie toont een oneindige verscheidenheid. En dan komt de gedachte dat deze verscheidenheid zo groot is als de verschillen tussen diersoorten onderling. Dat moet men dieper overdenken. Wanneer men dat zo diagonaal leest, kan men het terzijde schuiven. Maar wanneer men het op zich laat inwerken, dan kan men dat eigenlijk niet meer. Want dan ziet men hoe groot de verschillen in de biografieën werkelijk zijn. En Steiner zelf zegt dan: ja, men kan natuurlijk bij mensen die veel met dieren te maken hebben verwachten dat zij zeggen: onderling zijn dieren uit dezelfde soort ook heel verschillend en hebben verschillende levens. Maar dat is oppervlakkigheid in het denken als men dat zegt. Want vergelijken we twee mensen, dan is het verschil zo ongelooflijk groot en zijn de details zo verschillend. En dan kan men natuurlijk zeggen: ja, maar dat komt door invloeden van buitenaf, enzovoort. Denk daar eens over na – dan ziet men: dat is een onmogelijkheid. De biografie moet uit een voorouder komen. Niet een fysieke voorouder wordt dan bedoeld. Maar zoals de menselijke gestalte alleen maar kan bestaan omdat er voorouders zijn, zo kan ook de menselijke biografie alleen maar bestaan omdat er voorouders zijn. En dat, zegt Rudolf Steiner, zijn bij de mens de vorige incarnaties. Dat is toch… het is schokkend duidelijk, dat dat wel zo moet zijn. En ik herinner mij, de eerste keer dat ik het las, ik had al vanuit de omgeving gehoord dat antroposofen in reïncarnatie geloven, en dat zei me eigenlijk niets. Maar toen las ik dit hoofdstuk in het boek Theosofie – ja, toen werd dat duidelijk; daar kan de verstandelijke logica eigenlijk niets tegenin brengen. Alleen wanneer men niet deze lichte verschuiving meemaakt die het denken maakt, wanneer het zich uit het gewone zintuiglijke denken moet verheffen – omdat men dit leest – naar het zuiver geestelijke denken. En wanneer men zich daarin verdiept, dan komt er ook iets moeilijks op, namelijk: wanneer men dat vergelijkt – als fysiek mens heeft men voorouders, en dat zijn andere individualiteiten dan men zelf is. Als geestelijk mens heeft men ook voorouders – dat zijn de vorige incarnaties – maar dat is telkens dezelfde individualiteit die terugkomt. En dat zou een sterk gevoel van eenzaamheid kunnen geven. Want in de geest is men dan eigenlijk met zijn voorouders steeds weer bij zichzelf en niet in een omgeving. Dat was voor mij, toen ik begon met de romans over de wereldbeschouwingen en het thema van het monadisme bestudeerde, een thema voor een roman over het monadisme – dat is toen Huis zonder Vensters geworden – is nooit in het Duits vertaald. En daar vinden we dan een vrouw die eigenlijk zo in de wereld staat, dat ze innerlijk heel goed weet dat ze in een huis leeft zonder ramen naar de omgeving. En wat is dan eigenlijk de mogelijkheid? Dat de individualiteit, die weliswaar voorouders heeft, maar dan ontdekt dat die voorouders steeds ik ben – wat is dan de mogelijkheid om uit deze afgeslotenheid te komen? Is er iets wat het mogelijk maakt dat ik, hoewel ik in mijn voorouders steeds weer mijzelf vind, mij toch in een gemeenschap kan voelen wanneer ik terugkijk naar datgene wat deze biografie nu heeft gevormd? Deze mogelijkheid bestaat natuurlijk. En ik wil nu slechts het woord uitspreken dat daarvoor geldt. Want wat is het dat deze eenzame in zichzelf beslotenheid oplost? Welke kracht breekt uit het huis naar buiten en leidt naar het huis erin? Dat is de liefde.

Misschien daarover dan een volgende keer.

 

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wie is Mieke Mosmuller?

Mieke Mosmuller is arts, schrijfster en filosofe. Zij schrijft over actualiteiten die raken aan haar filosofisch-spirituele ontwikkelingsweg die zij startte in 1983…

Recente artikelen

Na de video van vorige keer met de titel 'Onafhankelijk Oordeel', kreeg ik natuurlijk reacties. Die staan niet alleen onder de video, maar ik krijg...
De vorige keer heb ik over de inwijding gesproken, en dat wil ik ditmaal nog voortzetten. Eigenlijk raakt men daar natuurlijk nooit over uitgesproken. De...
Ik zit heerlijk in de herfstzon tussen twee regenbuien in en bezin me op de afgelopen week, toen in Nederland de verkiezingen waren. Die hebben...

Volg Mieke Mosmuller

Meest recente video

Te dragen geestlicht in de wereldwinternacht
Daarnaar streeft zalig de drijfveer van mijn hart,
Dat lichtend zielenkiemen
In wereldgronden wortelen,
En goddelijke Woord in het zintuigdonker
Verlichtend al het Zijn doorklinkt.

 

Volgende seminar

30.03.2026 – 01.04.2026
In der Woche vor Ostern besuchen wir unter der Leitung von Mieke Mosmuller die Kathedrale von Chartres.