Rudolf Steiner, de Ingewijde

Nu is het meer dan een week na de honderdste sterfdag van Rudolf Steiner.En wat mij is opgevallen – ik heb niet zo veel bekeken, maar men bekijkt, denk ik, wat men moet bekijken – wat mij is opgevallen, dat is, dat er een tendens is – en deze tendens kende ik natuurlijk al, maar het werd nu opnieuw heel duidelijk – dat er een tendens is om Rudolf Steiner als een geniaal persoon te bekijken. Als iemand die aan het begin van de twintigste eeuw veel nieuws heeft gebracht, ook veel waardevols, dat hij werkelijk ongelooflijk getalenteerd was. Maar, ja, geen ingewijde op basis van een heilige ziel. Dat heb ik eigenlijk niet zo waargenomen, dat men dat wil vertegenwoordigen. Men wil een Rudolf Steiner hebben, die men zo kan bekritiseren zoals men alle grote wetenschappers en filosofen en kunstenaars kan bekritiseren. En Rudolf Steiner was daar natuurlijk helemaal niet tegen, dat men hem bekritiseerde.

Ik ook niet. Maar het gaat erom, dat men weet een verschil te maken tussen hooggetalenteerde mensen, die verder toch, ja, hoe zal ik het zeggen, gewone mensen zijn, en mensen zoals Rudolf Steiner, die hun talenten daarvoor gebruikt hebben, dat zij zichzelf in hun ziel gezuiverd hebben en in deze gezuiverde ziel dan een geestelijke ontwikkeling doormaken, die dus berust op een reine ziel, een heilige ziel – en dat wil men niet toegeven.

Dat betekent nog altijd niet, als men het wél wil toegeven, dat men alles gewoon zomaar gelooft. Daar gaat het helemaal niet om, dat wilde Rudolf Steiner ook absoluut niet. Hij is de grote voorstander van geestelijke ontwikkeling. Hij is de voorstander van het zuivere denken. Hij hoopte, dat de mensen ooit eens zouden beginnen zelf te denken.

En als men zelf denkt, dan gelooft men niet op de oude manier, dan neemt men niet zomaar dingen aan, dan wil men deze dingen ook begrijpen en met elkaar in verband kunnen brengen.

En als dat niet mogelijk is, als dat zo hier en daar en daar en telkens weer heel verschillend is, ja, dan kan men nog zeggen: hij is geniaal – maar dan moet men hem daarop bekritiseren, dat hij niet consequent denkt. En dat is bij Rudolf Steiner natuurlijk helemaal niet het geval.

Men kan zijn… datgene… zijn onderzoeksresultaten, die kan men nachvollziehen – niet zo, dat men ook in de geestelijke wereld kan kijken – maar datgene, wat hij dan uit de geestelijke wereld heeft gebracht in begrijpelijke taal, dat kan men dan dus begrijpen.

En zo heb ik Rudolf Steiner leren kennen. Ik kende de naam Rudolf Steiner. Ik was dan uit mijn jeugd eigenlijk ook met een aura van iets mystieks, wat men eigenlijk niet wil. Ik wil begrijpen, wat ik aan inzichten krijg. En op de een of andere manier was met Rudolf Steiner iets verbonden. Wat? Dat wat de indruk gaf, dat men dat bij hem niet had.

Toen ik uiteindelijk door bepaalde omstandigheden toch in aanraking kwam met zijn werk, was ik werkelijk verbaasd over de consistentie van de waarheid. En ja, als je dat eenmaal hebt waargenomen en zelf hebt meegemaakt, dan weet je: hoe vergaand zijn onderzoeksresultaten ook zijn, het is absoluut geen fantasie. Het is simpelweg niet meer mogelijk om dat nog te denken.

Er zijn natuurlijk veel stromingen binnen de antroposofie die ook niet geloven dat het fantasie is, maar die desondanks ook niet geloven dat Rudolf Steiner een meester was, een spirituele meester. Dat blijkt iets te zijn wat in onze tijd behoorlijk moeilijk ligt. Het is blijkbaar makkelijker om te geloven dat er oosterse meesters zijn – dat lijkt niet zo’n probleem te zijn. Boeddhistische meesters bijvoorbeeld, dat is allemaal voorstelbaar. Maar dat er hier, in Europa, zulke meesters zouden kunnen zijn – dat blijkt moeilijk te geloven.

Toch is er in het werk van Rudolf Steiner een punt waarop zijn inwijdingskracht duidelijk naar voren komt. En dat punt is eigenlijk voor ieder mens te volgen. Je hoeft daarvoor niet op te stijgen tot hoge geestelijke werelden – je kunt er met je gewone bewustzijn bij. Dat punt vormt in zekere zin een omslag in het gewone bewustzijn, en daarmee bewijst Rudolf Steiner dat zijn geesteswetenschappelijk onderzoek niet voortkomt uit het gewone bewustzijn, maar uit een getransformeerd bewustzijn.

Als je denkt dat het het gewone bewustzijn is waarin magische of mystieke indrukken binnenkomen, dan heb je Rudolf Steiner totaal niet begrepen. Want zo werkt het bij hem niet – en je kunt er absoluut zeker van zijn dat als het ooit zo geweest zou zijn, hij dat heeft overwonnen. Hij wilde namelijk de puur wetenschappelijke methode werkelijk omvormen tot een geesteswetenschappelijke methode.

In onze gewone kennis hebben we behoefte aan zekerheid, en iedereen weet dat die zekerheid eigenlijk alleen in de wiskunde echt betrouwbaar is. Natuurlijk zijn er ook daar tegenbewegingen die zeggen dat zelfs in de wiskunde niets zeker is, maar eenvoudige wiskunde kan ieder mens begrijpen – en daarbij ook zeker weten dat het waar is wat men inziet.

Als je dat proces van inzicht – dat elke mens kent – goed zou bekijken, dan zou je begrijpen hoe Rudolf Steiner zijn geesteswetenschappelijk onderzoek heeft gedaan. Hij was zich er bovendien zeer van bewust dat hij als geestesonderzoeker niet altijd volledig zeker was van zijn resultaten. Dat zegt hij zelf ook. Maar wanneer hij niet zeker was, deelde hij zijn bevindingen niet. En dat is een zekerheid die je krijgt als je Rudolf Steiner leert kennen.

Als ik in mijn denken een begrip vind dat ik volledig kan doorgronden – en ik heb daar altijd het begrip van de cirkel voor genomen – dan weet ik dat ieder mens dit kan begrijpen en ook met zekerheid kan weten dat de wetmatigheid van de cirkel klopt: een verzameling van punten in een vlak, die allemaal een gelijke afstand hebben tot één punt in dat vlak. Een gesloten lijn van punten.

We tekenen de cirkel met een passer – en in het Nederlands noemen we de cirkel ook gewoon “cirkel”. We zetten het middelpunt vast, nemen een bepaalde afstand, en trekken die gesloten lijn. Iedereen kan begrijpen dat dát een cirkel is. En dan moet je je voorstellen – of beter nog, je moet je afvragen: waar komt het eigenlijk vandaan dat ik dát kan weten?

Bij Rudolf Steiner moet men zich voorstellen dat wat hij door zijn geesteswetenschappelijk onderzoek heeft gevonden, ook in mensen, in ons mensen, op een vergelijkbare manier als zekerheid aanwezig is – alleen zijn we ons daar niet van bewust. De weg van Rudolf Steiner is dat je je eerst bewust wordt van die begrippen, bijvoorbeeld die van de wiskunde, en je je ook bewust wordt van wat het eigenlijk precies betekent dat je iets met zekerheid weet. En dat je dan, door meditatie, je geestelijke krachten zo opwekt en versterkt, dat deze onbewuste begrippen, die in ieder mens aanwezig zijn, ook in het bewustzijn kunnen komen.

Daarvoor is een ver doorgevoerde onzelfzuchtigheid nodig, want zelfs om het vol te houden alleen maar naar het begrip van de cirkel te kijken en jezelf de vraag te stellen: “hoe weet ik, hoe komt het dat ik weet – en met zekerheid weet – dat het zo is?”, is al enige onzelfzuchtigheid vereist. Maar als je dan ook nog de overige begrippen van de geestelijke wereld op deze manier in je bewustzijn wil brengen – wat denkt u dan, wat voor onzelfzuchtigheid daarvoor nodig is?

En daarmee – als men werkelijk bereid zou zijn om deze gedachtegang te volgen – is het bewijs geleverd dat de geesteswetenschap van Rudolf Steiner in die zin een inwijdingswetenschap is, omdat hij de hele geesteswetenschap put uit een gebied dat weliswaar in alle mensen aanwezig is – de antroposofie – maar dat niet zomaar in het bewustzijn kan komen, als de mens niet eerst zijn denken heeft gereinigd.

En dat het bij Rudolf Steiner altijd om het denken gaat, heeft ermee te maken dat wij in het denken, wanneer wij denken, het meest bewust zijn. Als we het gevoel binnengaan, dan wordt zekerheid al moeilijker, en de wil onttrekt zich grotendeels aan onze bewuste waarneming – maar het denken is onmiddellijk helder. En wanneer je daarvan uit gaat, dan wordt het mogelijk om ook uit de diepere lagen van het bewustzijn te putten.

Daarvoor moet het verstandelijke denken dan wel tot rust gebracht worden, maar allereerst moet juist dat verstandelijke denken onderzocht worden, om een vermoeden te krijgen – en dan geleidelijk een weten, een inzicht – van hoe de geest, de geestelijke begrippen in de mens onbewust aanwezig zijn, en hoe een ingewijde het vermogen verwerft om deze onbewuste begrippen omhoog te tillen in het bewustzijn, waarbij het dan natuurlijk wel een ander bewustzijn is geworden: een getransformeerd bewustzijn.

Het is moeilijk om dit uit te drukken, maar ik wilde dat in de week na de herdenking van zijn overlijden toch zeggen, omdat het mij zo opviel dat het feit van Rudolf Steiners inwijding eigenlijk naar de achtergrond verdwijnt, terwijl dat toch juist het belangrijkste is. Het belangrijkste bij Rudolf Steiner is dat wij in hem iemand onder ons mensen hebben gehad die werkelijk in de geestelijke wereld kon schouwen – niet door ingevingen, maar door harde innerlijke arbeid, steeds opnieuw. En dat we ons werkelijk moeten voorstellen wat een mens in zichzelf moet overwinnen om zo voor het geestelijke te willen leven.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wie is Mieke Mosmuller?

Mieke Mosmuller is arts, schrijfster en filosofe. Zij schrijft over actualiteiten die raken aan haar filosofisch-spirituele ontwikkelingsweg die zij startte in 1983…

Recente artikelen

Ik heb vorige keer gezegd, alles blijft altijd hetzelfde. Het is natuurlijk duidelijk dat dat niet over de inhoud gaat, want inhoudelijk zijn er natuurlijk...
Ja, in onze tijd wordt opnieuw zo duidelijk hoezeer de wereld de antroposofie nodig heeft als cultuurfactor. Natuurlijk kan men zeggen: ja, de antroposofie is...
Ja, na enige tijd heb ik dan weer de moed gevat om hier te gaan zitten en het een en ander onder woorden te brengen....

Volg Mieke Mosmuller

Meest recente video

Wanneer uit de wereldwijdten
De zon spreekt tot de mensenzin
En vreugde uit de zielendiepten
Met het licht zich verenigt in het schouwen,
Dan trekken uit de omhullingen van het zelf
Gedachten in de ruimteverten
En verbinden dof
Het mensenwezen met het zijn van de geest

Wenn aus den Weltenweiten
Die Sonne spricht zum Menschensinn
Und Freude aus den Seelentiefen
Dem Licht sich eint im Schauen,
Dann ziehen aus der Selbstheit Hülle
Gedanken in die Raumesfernen
Und binden dumpf
Des Menschen Wesen an des Geistes Sein.

Volgende seminar

30.03.2026 – 01.04.2026
In der Woche vor Ostern besuchen wir unter der Leitung von Mieke Mosmuller die Kathedrale von Chartres.